Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-330 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/330 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van 8 december 2004, 04/518, van de rechtbank Zwolle-Lelystad, (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. uit de Fles, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 22 maart 2005 een rapport van 19 maart 2005 van

L. ten Hove, bezwaarverzekeringsarts, ingezonden.

Nadien heeft het Uwv bij brieven van respectievelijk 13 april 2005 en 1 februari 2007 rapporten van 13 april 2005 en

31 januari 2007 van M. A. Oudenaller en W. J. G. Mulder, bezwaararbeidsdeskundigen, in het geding gebracht.

De gemachtigde van appellante heeft daarop gereageerd in een schrijven van

19 februari 2007 plus bijlagen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellante en haar bovengenoemde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, werkzaam als verzorgster voor 32 uur per week, heeft zich ziek gemeld met klachten van voornamelijk psychische aard. Aan haar is door het Uwv per 18 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij gezien door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft geconstateerd dat er op neurologisch terrein geen afwijkingen zijn vastgesteld, dat haar psychische toestand (na de geboorte van haar derde kind) sedert de vorige beoordeling is verbeterd en dat zij niet meer onder (psychiatrische) behandeling staat. Bijgevolg acht deze arts haar in staat om licht werk in een rustige setting te verrichten, zulks wel voor een maximum van 20 uur per week. De voor appellante geldende beperkingen - vooral van psychische aard en enkele fysieke beperkingen - heeft hij vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens blijkens diens rapport van 1 mei 2003 een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 35 tot 45%. Bij besluit van 22 mei 2003 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat haar WAO-uitkering per 2 juli 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich onder andere gebaseerd op het rapport van 9 maart 2004 van de bezwaarverzekeringsarts R.H.C.L. Mentink, die heeft vastgesteld dat het primaire oordeel op goede gronden berustte: de klachten van appellante waren (destijds) verminderd en de resterende klachten zijn niet terug te voeren op ziekte of gebrek; wel bestaat er, omdat appellante nog niet geheel klachtenvrij is, aanleiding tot het aannemen van een urenbeperking. Deze klachten beletten haar echter niet om lichte arbeid te verrichten in een rustige, voorspelbare werkomgeving.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name gesteld dat de mogelijkheden van appellante zijn overschat, dat zij nog in die mate last heeft van vooral psychische klachten, dat zij ook het aangegeven lichte werk (nog) niet aankan en dat zij inmiddels door haar huisarts is verwezen naar een psychiater.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep zijn namens appellante in grote lijnen de eerder aangevoerde grieven herhaald. Tevens is er op gewezen, dat het Uwv appellante per 29 december 2005 weer volledig arbeidsongeschikt heeft geacht.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad acht de medische basis van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Met name kan de Raad de stelling van (de bezwaarverzekeringsarts van) het Uwv onderschrijven, dat het enkele feit dat appellante op de datum in geding nog enige klachten van psychische aard ondervond, er niet aan in de weg behoeft te staan dat zij eenvoudig productiewerk in een rustige omgeving kan verrichten. Dat zij – kennelijk in de loop van de bezwaarfase – naar een psychiater is verwezen (nog daargelaten dat ook deze spreekt van acculturatieproblemen) doet daar niet aan af. Nieuwe of andere medische gegevens die de stelling van appellante dat haar beperkingen zijn onderschat zouden kunnen ondersteunen, zijn niet in het geding gebracht.

Gelet op de voorhanden zijnde arbeidskundige gegevens – waaronder het (korte) verslag van 12 maart 2003 van het overleg tussen de (primaire) verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige – moet worden vastgesteld, dat de geduide functies in voldoende mate tegemoet komen aan de bij appellante bestaande beperkingen van psychische aard (onder andere geen conflicthantering, geen arbeid met veelvuldige deadlines en een voorspelbare werksituatie); ook met de fysieke beperkingen in afdoende rekening gehouden.

Dat appellante per 29 december 2005 door het Uwv wederom een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend kan, nu zulks ver na de in geding zijnde datum is geschied en mede gelet op de ter zitting namens het Uwv gegeven toelichting, niet doorslaggevend worden geacht.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit op goede gronden berust en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.