Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3645 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3645 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 april 2005, 04/716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A.M. Korssen-van der Ruijt, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007.

Zoals tevoren bericht zijn appellant en zijn gemachtigde niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. A.J.M. van Hees.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was voltijds werkzaam als agrarisch medewerker toen hij op

1 oktober 2002 uitviel met rugklachten.

Bij besluit van 24 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit) is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 18 december 2003 waarbij is geweigerd aan hem per 30 september 2003, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich evenals in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid, met name ten gevolge van schouderklachten, onvoldoende zijn verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Appellant is voorts van mening dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor hem medisch gezien niet passend zijn.

De grieven van appellant worden door de Raad niet onderschreven.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts H.G. van Loon en de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz. De rapporten van deze artsen rechtvaardigen naar het oordeel van de Raad de conclusie dat de medische beperkingen van appellant per de datum in geding – 30 september 2003 – juist zijn vastgesteld. Ten aanzien van de schouderklachten overweegt de Raad nog het volgende.

De Raad deelt niet de mening van appellant dat de schouderklachten door de verzekeringsarts buiten beschouwing zijn gelaten en niet in diens rapportage zijn terug te vinden. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 10 september 2003 namelijk onder de anamnese beschreven dat appellant heeft aangegeven dat het met de schouderklachten sinds hij daaraan is geopereerd vrij goed gaat en hij slechts af en toe last heeft van een ontstekingsreactie in de bursa. Dit betekent dat de verzekeringsarts niet is voorbijgegaan aan de schouderklachten.

Dat het door de verzekeringsarts uitgevoerde lichamelijk onderzoek zich niet mede heeft uitgestrekt tot de schouders is naar het oordeel van de Raad verklaarbaar gezien de op dat gebied geuite klachten en het gegeven dat appellant was uitgevallen in verband met rugklachten. Wat hier ook van zij, vaststaat dat de bezwaarverzekeringsarts alsnog een onderzoek van de schouders heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de resultaten van dit onderzoek en de desgevraagd verkregen informatie van de orthopedisch chirurg J.M.H. Beckers geconcludeerd dat er geen objectief medische aanknopingspunten zijn om in verband met de schouderklachten van appellant op de datum in geding meer beperkingen aan te nemen dan die welke ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. De Raad onderschrijft dit oordeel volledig.

De Raad merkt op dat de orthopedisch chirurg Beckers heeft aangegeven dat na de operaties van de schouders in juni respectievelijk oktober 1997 de schouderfunctie beiderzijds bij onderzoek einde 1997 goed was, dat appellant zich vervolgens in april 2003 tot de orthopedisch chirurg Beckers heeft gewend in verband met rugklachten en niet (mede) in verband met schouderklachten zodat door hem geen nieuw onderzoek van de schouder is verricht en dat appellant in april 2003 aan de orthopedisch chirurg Beckers enkel heeft vermeld dat hij nog wisselende schouderklachten heeft, hetgeen overeenstemt met wat appellant aangaande de schouderklachten tegenover de verzekeringsarts heeft verklaard. De Raad voegt hieraan toe dat appellant noch in beroep noch in hoger beroep zijn stelling dat in verband met schouderklachten meer beperkingen moeten worden aangenomen, heeft onderbouwd met medische gegevens. In de namens appellant in bezwaar overgelegde brief van de behandelend oefentherapeut mensendieck van 21 januari 2004 wordt geen verslag gedaan van een behandeling gericht op schouderklachten, maar louter van een behandeling in verband met rug- en beenklachten.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat appellant vanuit medisch oogpunt geschikt is de voor hem geselecteerde functies te verrichten.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.