Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-6147 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering AOR-invaliditeitsuitkering. Toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6147 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 26 september 2006, kenmerk 6762/CAOR (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling (hierna: AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot], terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door haar secretaris

mr. L.H.G. Belleflamme alsmede door mr. R.L.M.J. Gielen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, in april 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van voorzieningen en een periodieke invaliditeitsuitkering ingevolge de AOR.

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerster deze aanvraag in zoverre ingewilligd dat - onder aanvaarding van de psychische klachten van appellante als oorlogsletsel in de zin van de AOR - aan haar is toegekend een voorziening in de kosten van geneeskundige behandeling terzake van het oorlogsletsel, voor zover niet elders gedekt. Een invaliditeits-uitkering ingevolge de AOR heeft verweerster geweigerd op de grond dat het aanvaarde oorlogsletsel niet heeft geleid tot gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot het verrichten van passende arbeid, waaronder wordt verstaan werkzaamheden die in aard vergelijkbaar zijn met het laatste uitgeoefende beroep van administratief medewerkster. Het tegen deze weigering gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In bezwaar en beroep heeft appellante vooral aangevoerd, kort samengevat, dat zij vanwege de door haar oorlogsletsel veroorzaakte oververmoeidheid slechts met uiterste inzet en veel problemen tot aan haar vervroegde uittreding (FPU) in 2001 aan het werk is kunnen blijven en door die klachten ook zeer is belemmerd in haar carrière.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Verweersters besluit is in overeenstemming met adviezen van haar geneeskundig adviseurs, ten laatste berustend op een na onderzoek van appellante door de psychiater dr. W. Op den Velde uitgebracht rapport van 3 juli 2006, en op informatie uit de behandelende sector. In genoemd rapport is geoordeeld dat appellante heeft aangegeven dat zij door concentratieproblemen beperkingen in het uitvoeren van haar beroepswerkzaamheden heeft ondervonden, maar dat er echter onvoldoende aanwijzingen zijn om te kunnen concluderen dat appellante in het verleden als gevolg van causale klachten geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. De voorhanden zijnde medische gegevens bieden geen houvast om te twijfelen aan de juistheid van verweersters, aan genoemde medische adviezen ontleende opvatting dat de psychische klachten van appellante niet tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de AOR hebben geleid. De Raad merkt hierbij nog op dat de AOR als arbeidsongeschiktheidsregeling niet voorziet in compensatie van gemiste carrièrekansen. Die regeling biedt voorts - hoezeer ook invoelbaar is de klacht van appellante dat zij in feite nu wordt “gestraft” voor het doorgaan met werken - ook geen mogelijkheid om rekening te houden met de door appellante aangevoerde omstan-digheid dat zij haar werk slechts met grote moeite tot aan haar vervroegde uittreding heeft kunnen volhouden.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.