Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
04-3671 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juiste beperkingen in acht genomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3671 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 mei 2004, 04/78 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellants gemachtigde heeft de gronden van het hoger beroep nader aangevuld, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De psychiater dr. N.J. de Mooij heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. Spiering voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat de rechtbank een onjuiste datum heeft gehanteerd waarop dit geding betrekking heeft. Nadat de door het Uwv voor appellant vastgestelde beperkingen onjuist waren gebleken, is voor appellant een nieuw belastbaarheidspatroon opgesteld, aan de hand waarvan functies zijn geselecteerd. Omdat dit andere functies waren dan eerder aan appellant waren voorgehouden, is opnieuw een uitlooptermijn in acht genomen. Thans is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering herzien met ingang van 12 februari 2004. Dit is de datum die thans in geding is.

Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het thans voorliggende bestreden besluit van 11 december 2003 een nieuwe beslissing is op het bezwaar tegen het oorspronkelijke primaire besluit, nu sprake is van een heroverweging van laatstgenoemd besluit op basis van hetzelfde feitencomplex en appellant door deze gang van zaken niet is benadeeld.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv voor appellant de juiste beperkingen voor het verrichten van arbeid in acht heeft genomen en of de voor appellant geselecteerde functies in overeenstemming zijn met deze beperkingen.

Met betrekking tot het eerste geschilpunt heeft de Raad de psychiater De Mooij, die de rechtbank in een voorgaande procedure tussen partijen van verslag en advies had gediend, de vraag voorgelegd of het door het Uwv thans gehanteerde belastbaarheidspatroon in overeenstemming is met zijn bevindingen bij het onderzoek van appellant. De Mooij heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De Raad ziet geen aanleiding deze zienswijze voor onjuist te houden en maakt deze tot de zijne. Hij komt dan ook tot het oordeel dat het Uwv voor appellant de juiste beperkingen voor het verrichten van arbeid in acht heeft genomen.

Met betrekking tot de geschiktheid voor appellant van de hem voorgehouden functies heeft zijn gemachtigde gewezen op het in ’s Raads jurisprudentie neergelegde uitgangspunt dat indien het uitvoeringsorgaan de belasting die de werkzaamheden in een bepaalde functie met zich meebrengen, heeft vastgesteld en in een bepaalde score in het functie-informatiesysteem (FIS) heeft weergegeven, zowel de verzekerde als, in het voorkomende geval, ook toetsende instanties, ervan uit moeten kunnen gaan dat die weergave een juiste afspiegeling vormt van de in de betreffende functie werkelijk voorkomende belasting, tenzij wordt aangetoond dat deze onjuist is. Volgens deze jurisprudentie verdraagt zich met dit uitgangspunt niet dat in een beroepsprocedure een aan een uitvoeringsinstelling verbonden arbeidsdeskundige het belastende aspect van die werkzaamheden relativeert.

Appellants gemachtigde is van mening dat in het onderhavige geval een onaanvaardbare relativering heeft plaatsgevonden, met name van het aspect verantwoordelijkheid.

Hij heeft erop gewezen dat appellant volgens het belastbaarheidspatroon niet geschikt kan worden geacht voor functies met een grote verantwoordelijkheid, terwijl twee van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies een dergelijke belasting wel kennen. Bij de verantwoording door de arbeidsdeskundige van het Uwv op welke gronden deze functies toch voor appellant geschikt kunnen worden geacht, heeft zijns inziens een relativering als hiervoor bedoeld, plaatsgevonden.

De Raad kan de gemachtigde van appellant hierin niet volgen. Naar zijn oordeel heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv op aanvaardbare wijze toegelicht op welke gronden hij van oordeel was dat appellant, hoewel hij in beginsel ongeschikt is voor functies met een grote verantwoordelijkheid, de geselecteerde functies toch kan vervullen. Hij heeft hiertoe aangegeven dat het gaat om werkzaamheden van eenvoudige aard en dat de verantwoordelijkheid met name ligt in het nauwkeurig werken, waarvoor appellant niet beperkt is. Het gaat in de functie van meubelspuiter om het gebruik van de juiste lak en bij de functie van assistent machine leider om het gebruik van de juiste wikkel bij het product en een juiste instelling van de datumcodering. Van een onaanvaardbare relativering van de belasting van de functies is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

De Raad acht voorts de geschiktheid van de functies voor appellant voldoende toegelicht. Hij neemt daarbij in aanmerking dat naar uit het rapport van De Mooij en het door hem geaccordeerde belastbaarheidspatroon blijkt, appellant met name is beperkt op het vlak van de sociale contacten. Van een beperking op het gebied van nauwkeurig werken is de Raad niet gebleken.

Naar aanleiding van de opmerking van appellants gemachtigde over de functies productiemedewerker slachterij en pakketteerder bestratingselementen, merkt de Raad op dat appellant niet beperkt is op het aspect dwingend werktempo, zodat er geen aanleiding is deze functies voor appellant ongeschikt te achten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - zij het met wijziging van gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.