Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3494 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Rapport behandelend specialist onvoldoende onderbouwd met medisch objectieve bevindingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3494 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2005, 04/3860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellante is -zoals aangekondigd- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellante, die werkzaam is geweest als medewerkster stekbedrijf, heeft zich op 27 augustus 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. In het kader van deze ziekmelding is appellante enige malen op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. Deze heeft informatie opgevraagd bij de behandelend KNO-arts en de huisarts van appellante. Tijdens het spreekuur van 25 mei 2004 heeft de verzekeringsarts appellante meegedeeld dat zij met ingang van 28 mei 2004 weer geschikt wordt geacht voor haar arbeid.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 28 mei 2004 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij niet meer wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid.

In het kader van het door appellante tegen het besluit van 27 mei 2004 gemaakte bezwaar is zij op 12 juli 2004 gezien door de bezwaarverzekeringsarts M. Keus die, na informatie te hebben ontvangen van de behandelend longarts, concludeerde dat de medische grondslag van het primaire besluit juist is.

Bij besluit van 1 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die beiden informatie hebben ingewonnen bij de behandelend sector. De rechtbank heeft in het bijzonder nog aandacht besteed aan het namens appellante in eerste aanleg ingebrachte rapport van de zenuwarts G.W. de Graaff.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van het in eerste aanleg gestelde. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad het volgende op. Appellante zoekt ook in hoger beroep steun in het in eerste aanleg overgelegde rapport van zenuwarts De Graaff van 27 december 2004. De Raad heeft het rapport van De Graaff meegewogen en is van oordeel dat diens standpunt dat de combinatie van lichamelijke met psychische klachten appellantes functioneren privé zeer moeilijk en in een eventuele werksituatie volledig onmogelijk maakt, onvoldoende met objectief medische bevindingen onderbouwd. De Raad onderschrijft in dit verband - evenals de rechtbank- het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Keus, zoals vermeld in diens rapport van 7 januari 2005. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Hetgeen appellante verder in hoger beroep heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad niet leiden tot een ander oordeel.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) J. Verrips.