Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-5570 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toeslag krachtens WUBO. Geen sprake vam invaliditeit tgv oorlogsgeweld. Dienen indirecte gevolgen van oorlogservaringen bij beoordeling betrokken te worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5570 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 10 augustus 2006, kenmerk JZ/C70/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon T.H.J. [B.], wonende te [woonplaats]. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door

mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1929 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te komen voor onder meer een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. In dat verband heeft appellante gesteld dat zij klachten ondervindt die zij in verband brengt met haar internering tijdens de Bersiap-periode. Bij besluit van 3 maart 2006 heeft verweerster de aanvraag van appellante afgewezen. Hierbij is overwogen dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, maar dat zij niet voldoet aan de in de Wet overigens gestelde voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, omdat bij haar geen sprake is van blijvende invaliditeit ten gevolge van dit oorlogsgeweld. Na gemaakt bezwaar heeft verweerster dit standpunt bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Verweerster heeft in dit besluit nader toegelicht dat de lichamelijke klachten van appellante niet gerelateerd kunnen worden aan haar oorlogservaringen en voorts dat er bij appellante sprake is van psychische klachten, bestaande uit huilbuien en slaapproblemen, maar dat deze slechts in geringe mate kunnen worden gerelateerd aan haar oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode en bovendien geen invaliditeit opleveren.

Namens appellante is in beroep naar voren gebracht dat de ernst van de psychische klachten door verweerster is onderschat.

De Raad overweegt als volgt.

Verweerster heeft bij het bepalen van haar standpunt het advies gevolgd van haar geneeskundig adviseurs, die na eigen onderzoek en op basis van informatie verkregen uit de behandelende sector tot het oordeel zijn gekomen dat de psychische klachten van appellante te gering zijn om van een ziekte of gebrek te kunnen spreken, en zeker geen aanleiding geven tot beperkingen. Bovendien staan deze psychische klachten naar het oordeel van de onderzoekend geneeskundige niet of slechts in zeer geringe mate in verband met haar oorlogservaringen.

De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van verweerster voor onjuist te houden. Deze gegevens laten nadrukkelijk zien dat er bij appellante geen sprake is van invaliditeit ten gevolge van haar ten dele met de oorlogservaringen in verband staande lichte psychische klachten, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2 van de Wet.

Namens appellante is de stelling betrokken dat verweerster niet alleen de directe medische gevolgen van appellantes oorlogservaringen bij haar beoordeling had moeten betrekken, maar ook de indirecte gevolgen daarvan zoals een bij appellante aanwezige negatieve “herinneringsbagage”, die in haar opvatting ook als invaliditeit zou moeten worden aanvaard. Op dit punt overweegt de Raad dat de wetgever voor een dergelijke interpretatie geen ruimte heeft gegeven nu ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de Wet alleen de in dat artikel omschreven directe gevolgen van het oorlogsgeweld tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.