Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3356 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3356 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 april 2005, 03/1617 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, en voor het Uwv

mr. M.R.C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 5 juni 2003 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2003 waarbij is geweigerd aan appellant per 8 januari 2003 een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 5 juni 2003 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft daartoe (kort gezegd) overwogen dat zij zich zowel wat de medische kant als wat de arbeidskundige kant kan vinden in het standpunt van het Uwv en dat er sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek door de primaire verzekeringsarts. Daarbij heeft zij nog aangetekend dat zij appellant door middel van heropening van het onderzoek ter zitting in de gelegenheid heeft gesteld tot het overleggen van gegevens van (medische) specialisten ter ondersteuning van zijn stelling dat - aangezien hij als medewerker in een tomatenkwekerij in aanraking is geweest met bestrijdingsmiddelen, wat een verklaring kan zijn voor zijn klachten - aanvullend toxicologisch onderzoek is geïndiceerd, maar dat appellant nader te kennen heeft gegeven dat er geen nadere informatie over blootstelling aan mogelijke intoxicatie bij zijn ex-werkgever beschikbaar is gekomen.

In zijn - uiterst summiere - hoger beroepschrift heeft appellant volstaan met aan te voeren van mening te zijn dat, gezien zijn klachten en beperkingen, zowel op medisch als arbeidskundig terrein, er niet tot geschiktheid voor de aan de weigering van de WAO-uitkering ten grondslag gelegde functies had mogen worden geconcludeerd.

Op zijn verzoek is aan appellant meerdere malen uitstel voor het eventueel aanvoeren van nadere beroepsgronden verleend, maar de zijnerzijds laatstelijk bij brieven van 7 juni 2005 ondernomen pogingen om bij diverse organisaties gegevens over intoxicaties in de tomatenteelt te verkrijgen, hebben geen gegevens opgeleverd om de aangevoerde hoger beroepsgronden nader te onderbouwen of toe te lichten dan wel nadere hoger beroepsgronden aan te voeren.

Ter zitting van de Raad is namens appellant nog een toelichting gegeven en betoogd dat appellant medisch meer is beperkt dan vanwege het Uwv is vastgesteld en dan ook de aan hem voorgehouden functies niet kan vervullen.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de medische en andere gegevens die aan de rechtbank ten dienste hebben gestaan, kan de Raad zich geheel vinden in het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank en de daarin vermelde overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid.

Voor het trekken van de conclusie dat het medisch onderzoek vanwege het Uwv niet zorgvuldig genoeg is geweest, bevatten de gedingstukken geen enkele concrete aanwijzing.

In hoger beroep heeft appellant geen medische of andere gegevens ter onderbouwing van zijn in het hoger beroepschrift neergelegde - zeer algemeen geformuleerde - standpunt overgelegd.

Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de toets der aan te leggen kritiek niet kan doorstaan.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.