Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-516 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juiste beperkingen in acht genomen? Verborgen beperkingen. Beoordeling voldoende toetsbaar en inzichtelijk?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/516 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 december 2004, 04/986 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007, waar appellant, met voorafgaande aankondiging, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1950, is in 1976 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker sociale werkvoorziening. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Nadien is de mate van arbeidsongeschiktheid een aantal malen gewijzigd. Laatstelijk genoot appellant een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 28 juli 2003 onderzocht door de verzekeringsarts M. Spuijbroek die met inachtneming van uit de uit rugklachten voortvloeiende beperkingen de functionele mogelijkheden van appellant heeft vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (k)FML.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R.A. Bastiaens op 16 januari 2004 rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant nog steeds geschikt is voor de in zijn rapport van 8 oktober 2003 genoemde functies. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij berekend op 25-35%. Dienovereenkomstig is appellant bij besluit van 27 januari 2004 meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 23 maart 2004 wordt herzien naar een mate arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch op 11 mei 2004 rapport had uitgebracht, waarin zij zich heeft kunnen verenigen met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, heeft het Uwv bij besluit van 28 mei 2004 het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant naar voren gebracht dat er op en na 23 maart 2004 sprake is van een toename van klachten en beperkingen welke onder meer hun grondslag vinden in zijn orthopedische en neurologische aandoeningen. Om die reden heeft hij zich met ingang van 25 maart 2004 weer ziek gemeld en deze ziekmelding is in het kader van de Ziektewet ook geaccepteerd. Hij heeft tevens verzocht om het inschakelen van een deskundige.

Op de grieven van appellant heeft het Uwv gereageerd door middel van een nader rapport d.d. 12 augustus 2004 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts Kerbusch, die gesteld heeft dat bij specialistisch onderzoek geen andere afwijkingen zijn gevonden dan welke reeds bekend waren.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure. Daarbij heeft hij nog verklaringen overgelegd van de neuroloog V.H.J.M. Triebels en de revalidatiearts R.J.E. Riksen.

Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd door middel van tweetal rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch.

Voorts heeft het Uwv op verzoek van de Raad nog een nadere toelichting gegeven op geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies door middel van een nader rapport van de voornoemde bezwaararbeidsdeskundige Bastiaens. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer (SBC-code 282101) bij nader inzien niet geschikt is voor appellant vanwege de omstandigheid dat hij in deze functie tijdens het traplopen geen twee handen vrij heeft.

Bij schrijven van 15 januari 2007 heeft het Uwv op verzoek de Raad nog een aantal gedingstukken doen toekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de (k)FML komt naar voren dat de verzekeringsarts bij sommige belastbaarheidsaspecten heeft aangegeven dat appellant normaal belastbaar is, terwijl uit de bij de betreffende aspecten gegeven toelichting naar voren komt dat er toch zekere beperkingen van toepassing worden geacht, in de vorm van het voldaan moeten zijn aan bepaalde aanvullende voorwaarden dan wel anderszins. Bij weer een ander belastbaarheidsaspect is weliswaar aangegeven dat een bepaalde beperking van toepassing is, maar blijkt uit de verstrekte toelichting dat appellant door de verzekeringsarts feitelijk zwaarder beperkt wordt geacht dan in overeenstemming is met de ingevulde score.

De Raad wijst hierbij op de volgende aspecten.

Zo wordt in rubriek 3, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, onder punt 2 (koude) aangegeven dat appellant normaal belastbaar is, terwijl in de toelichting wordt vermeld dat koude vermeden moet worden.

In rubriek 4, dynamische handelingen, wordt onder punt 3 (hand- en vingergebruik) vermeld dat appellant normaal belastbaar is en dat hij geen specifieke beperkingen ondervindt bij het gebruik van handen en vingers in het dagelijkse leven terwijl uit de toelichting blijkt dat hij geen overmatig fijn motorisch werk kan doen.

Onder punt 19 van dezelfde rubriek (lopen tijdens werk) wordt vermeld dat appellant normaal belastbaar is en dat hij zo nodig gedurende het merendeel van werkdag kan lopen (postbode) terwijl in de toelichting staat vermeld dat hij elk werkuur kan lopen, maximaal twee uur per dag.

Ook in rubriek 5, statische houdingen, is bij de punten 4 (staan tijdens werk) en 5 (geknield of gehurkt zijn) aangegeven dat appellant normaal belastbaar is terwijl er naar het oordeel van de Raad in de toelichting sprake is van een zekere beperking.

Belastbaarheidsaspecten waarbij een zekere beperking is aangegeven maar in toelichting sprake is van een duidelijk verdergaande beperking zijn naar het oordeel van de Raad de punten 11 (frequent buigen tijdens werk), 18 (lopen tijdens werk) en 20 (trappenlopen) van rubriek 4.

In zijn uitspraak van 23 februari 2007 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AZ9153) heeft de Raad overwogen dat door het invullen van de (k)FML op een wijze zoals hiervoor is aangegeven het risico bestaat dat de motivering van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan de hand van het resultaat functiebeoordeling niet volstaat en dat een schattingsbesluit dat enkel op zodanige motivering is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand zal kunnen houden. Of in een voorliggend geval die conclusie dient te worden getrokken, zo heeft de Raad in die uitspraak verder overwogen, zal afhangen, naast andere concreet voordoende feiten en omstandigheden, van aantal en aard van de verborgen beperkingen, en het antwoord op de vraag of geen beperking dan wel een minder ernstige beperking is aangegeven, waarbij uiteindelijk van belang is of voor de betrokken verzekerde, voor eventuele rechtshulpverleners maar ook voor de rechter, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling inzichtelijk en toetsbaar is.

De Raad heeft hieraan toegevoegd dat op voorhand niet mag worden uitgesloten dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (k)FML met in toelichtingen verborgen gebreken, toch aan deze eisen van inzichtelijk en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel, waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval een dergelijk compleet overzicht ontbreekt. Slechts ten aanzien van het aspect trappenlopen in rubriek 4 is van de zijde van het Uwv een nadere motivering in vorenbedoelde zin gegeven. De Raad is dan ook van oordeel, mede gelet op het aantal en aard van de zich voordoende in toelichtingen verborgen beperkingen, dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand kan houden. Dit betekent dat zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in eerste aanleg en op € 322,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) C.D.A. Bos.