Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3496 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Toelichting eerst in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3496 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 mei 2005, 04/442 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A. Goossens, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft haar werkzaamheden als magazijnmedewerkster voor 40 uur per week op 29 juni 1998 gestaakt wegens rugklachten. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan haar met ingang van 28 juni 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat deze uitkering met ingang van 11 juni 2000 was ingetrokken, is met ingang van 8 augustus 2000 opnieuw een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 26 juli 2002 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts A. de Jong. Op dezelfde datum heeft De Jong gerapporteerd dat appellante beperkingen ondervindt in verband met hartklachten en spanningsklachten. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 juli 2002. Vervolgens heeft De Jong aanvullende informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog en de GGZ Oost Brabant. Op 20 augustus 2002 heeft De Jong een aanvullend rapport uitgebracht, waarin is aangegeven dat de verkregen informatie van de GGZ Oost Brabant aanleiding geeft om extra beperkingen aan te nemen op psychisch vlak. In verband hiermee heeft De Jong op 20 augustus 2002 een aangepaste FML opgesteld.

Aan de hand van deze FML zijn functies voor appellante geselecteerd en is haar mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% gesteld. Bij besluit van 10 december 2002 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 februari 2003 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure is door de betrokken bezwaararbeidsdeskundige geconstateerd dat de schatting op te weinig geschikte functies was gebaseerd. Bij besluit van

3 april 2003 is het bezwaar in verband hiermee gegrond verklaard en is bepaald dat de WAO-uitkering per 7 februari 2003 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De arbeidsdeskundige G. van der Velden heeft vervolgens een nieuw arbeidskundig onderzoek verricht. Op 20 juni 2003 heeft Van der Velden gerapporteerd dat aan appellante functies uit een nieuwe sbc-code kunnen worden voorgehouden, dat hiermee alsnog een voldoende aantal sbc-codes en functies wordt bereikt en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op minder dan 15% moet worden gesteld.

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 augustus 2003 ingetrokken.

Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Hagendoorn informatie ingewonnen bij de behandelend cardioloog P.E.F. Bendermacher. Deze heeft bij brief van

6 januari 2004 bericht dat appellante op 24 en 25 augustus 2003 opgenomen is geweest op de afdeling cardiologie voor onderzoek en dat hierbij geen aanwijzingen voor nieuwe pathologie van het hart konden worden gevonden. Op 14 januari 2004 heeft Hagendoorn gerapporteerd dat er geen aanleiding is om de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen.

Bij besluit van 23 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft appellante betoogd dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een rapport ingebracht van de medisch adviseur J. Post van 1 juli 2004. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hagendoorn van 22 juli 2004 ingebracht. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. van As de medische geschiktheid van de voorgehouden functies toegelicht bij rapport van

23 februari 2005. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit voor juist kan worden gehouden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank erop gewezen dat door het Uwv zelf is onderkend dat op basis van uurloonvergelijking had moeten worden geschat in plaats van op basis van maandloonvergelijking. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen. Omdat volgens de rechtbank schatting op basis van uurloonvergelijking tot dezelfde uitkomst leidt, heeft zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit het rapport van de medisch adviseur Post van 1 juli 2004 blijkt dat haar beperkingen op psychisch vlak zijn onderschat en dat de rechtbank ten onrechte aan dit rapport voorbij is gegaan.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische beperkingen van appellante wel juist zijn ingeschat.

De Raad overweegt als volgt.

In de aan de onderhavige schatting ten grondslag liggende FML van 20 augustus 2002 zijn diverse beperkingen opgenomen in onder meer de rubrieken 1 en 2 (respectievelijk persoonlijk functioneren en sociaal functioneren). Bij het opstellen van de FML is rekening gehouden met de door GGZ Oost Brabant bij brief van 15 augustus 2002 verstrekte informatie. In deze brief wordt onder meer melding gemaakt van een persoonlijkheidsstoornis N.A.O. met borderline persoonlijkheidskenmerken en problemen die appellante ondervindt bij het structureren van haar leven. Bezwaarverzekeringsarts Hagendoorn heeft in het hiervoor genoemde rapport van 22 juli 2004 vermeld dat appellante, mede gezien de informatie van de GGZ Oost Brabant, met name structuur, overzicht en ondersteuning behoeft. Hagendoorn heeft hierbij aangegeven dat is aangenomen dat appellante aangewezen is op een voorspelbare werksituatie en routine-afhankelijke werkzaamheden en dat zij zonodig moet kunnen terugvallen op directe collega’s of leidinggevenden. Hagendoorn heeft er voorts op gewezen dat appellante in verband met een verminderde stressbestendigheid ook beperkt is geacht met betrekking tot werk met veelvuldige deadlines, werk met conflicterende functie-eisen en conflicthantering. Naar het oordeel van de Raad is door Hagendoorn voldoende gemotiveerd dat in afdoende mate rekening is gehouden met de door appellante ondervonden beperkingen op psychisch vlak.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting is de Raad van oordeel dat, gezien de uitgebreide toelichting in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van As van 23 februari 2005, de aan appellante voorgehouden functies voor haar geschikt kunnen worden geacht. Eerst met deze toelichting is door het Uwv voldoende inzichtelijk gemaakt dat appellante de voor haar geselecteerde functies kan vervullen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluiten vormt dit in dit geval aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot deze beslissingen gekomen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van de gronden waarop deze berust, moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.