Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-4490 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Urenbeperking? Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4490 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2005, 04/3789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Soebhag, voornoemd. Van de zijde van het Uwv is, met voorafgaande aankondiging, niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren [in] 1952, is in 1992 voor haar werk van bejaardenhelpster uitgevallen wegens depressieve klachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Laatstelijk genoot appellante een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op 15 april 2003 onderzocht door de verzekeringsarts J.P. Mangnus. In een rapport van dezelfde datum is hij tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van haar klachten aangewezen is op werkzaamheden welke beperkt zijn voor stress, verantwoordelijkheid en tempodruk. Voor het overige heeft hij, in tegenstelling tot voorheen, geen indicatie voor een urenbeperking meer aanwezig geacht. Met inachtneming van de voormelde beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige L. Jansen op 7 november 2003 rapport uitgebracht en appellante geschikt geacht voor een aantal functies. Op basis van drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van haar berekend op 35-45%. In overeenstemming met dit rapport is appellante bij besluit van 18 december 2003 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 20 januari 2004 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

In bezwaar heeft appellante, onder overlegging van een verklaring d.d. 25 februari 2004, van haar huisarts, naar voren gebracht dat de herziening van haar uitkering niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, met name niet omdat geen of nauwelijks informatie uit de behandelende sector is opgevraagd. Voorts heeft zij haar verbazing uitgesproken over de omstandigheid dat haar gezondheidstoestand niet is veranderd terwijl de mate van arbeidsongeschiktheid wel is gewijzigd.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman op 2 november 2004 rapport had uitgebracht, waarin hij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2004 het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante er nogmaals op gewezen dat geen informatie uit de behandelende sector is opgevraagd.

Het Uwv heeft op verzoek van de rechtbank nog een nadere toelichting op de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies gegeven door middel van een rapport d.d. 23 maart 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw. Omdat van één van de aan schatting ten grondslag gelegde functies de actualiseringsdatum niet juist was, heeft hij een andere functie aan de schatting ten grondslag gelegd. Als gevolg hiervan heeft hij, teneneinde tot een voldoende aantal arbeidsplaatsen te komen, een vierde functie bij de schatting betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij herberekend, waarbij deze bezwaararbeidsdeskundige (wederom) op 35-45% is uitgekomen.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit. Aangezien de rechtbank echter van oordeel was dat de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies pas in beroep in voldoende mate was gemotiveerd, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJ nummers AR4716 t/m AR4719, AR4721 en AR4722), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank beslist over proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daarbij heeft appellante, als verklaring voor de omstandigheid dat geen medische gegevens uit de behandelende sector zijn verkregen, er op gewezen dat het Uwv bij het opvragen van deze gegevens onjuiste persoonlijke gegevens heeft gehanteerd. Voor het overige heeft zij de eerdere in de procedure naar voren gebrachte grieven herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Bij de thans in geding zijnde schatting heeft het Uwv, anders dan bij een eerdere beoordeling, geen urenbeperking meer geïndiceerd geacht voor appellante. Naar het oordeel van de Raad ontbreekt echter een voldoende overtuigende onderbouwing voor het laten vervallen van deze urenbeperking. De primaire verzekeringsarts is in zijn rapport d.d. 15 april 2003 op grond van het dagverhaal van appellante tot de conclusie gekomen dat zij voldoende rust krijgt en er geen indicatie meer is voor een urenbeperking en de bezwaarverzekeringsarts heeft zich, zonder nader in te gaan op dit aspect, achter dit medische oordeel van de primaire verzekeringsarts geschaard. Een dergelijke motivering acht de Raad in het licht van de eerdere medische rapportage waarin wel een urenbeperking is aangenomen echter onvoldoende, te meer daar appellante heeft gesteld dat in haar gezondheidstoestand geen verbetering is gekomen. Aangezien het Uwv deze motivering ook in de loop van de procedure niet heeft aangevuld, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep die worden begroot op € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) C.D.A. Bos.