Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-2530 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2530 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 maart 2005, 04/1503 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Namens appellante is verschenen mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 8 december 2003 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 januari 2004 ingetrokken. Bij besluit van 7 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat appellante door het overleggen van de rapportage van de orthopedisch chirurg P.A.L. Blokzeijl van

21 januari 2005 geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de functie van verkooptelefonist (sbc-code 516180) gelet op de klachten van appellante aan haar linkerhand niet geschikt is te achten. Op arbeidskundige gronden valt ook de andere functie met sbc-code 516180, telemarketeer, af, zodat deze sbc-code niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Dit vormt echter geen grond om het bestreden besluit te vernietigen, nu in de arbeidsmogelijkhedenlijst voldoende passende functies als grondslag voor de schatting zijn geselecteerd, namelijk de functies van arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (sbc-code 763100), telefonist, receptionist, typist (sbc-code 315120) en verkoper groothandel (sbc-code 317012). Vergelijking van de loonwaarde die appellante in de middelste van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zou kunnen verdienen met het van het laatst verrichte werk als apothekersassistente herleide inkomen heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geleid tot indeling in de klasse minder dan 15% per 14 januari 2004.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat hij met de rechtbank geen grond ziet te twijfelen aan de juistheid van de medische bevindingen op grond waarvan de verzekeringsarts de belastbaarheid van appellante heeft beschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), welke de bezwaarverzekeringsarts heeft bevestigd na een heroverweging waarbij ook de door appellante overgelegde inlichtingen van behandelend artsen zijn betrokken. De Raad onderschrijft voorts de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het rapport van de orthopedisch chirurg Blokzeijl. Het Uwv heeft in hoger beroep het commentaar van

7 februari 2005 van de bezwaarverzekeringsarts op dat rapport overgelegd, dat ter zitting van de rechtbank mondeling was ingebracht. In dat commentaar stelt de bezwaarverzekeringsarts zich op objectief medische gronden niet te kunnen vinden in de interpretatie van Blokzeijl over de in de FML te omschrijven belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat met dat commentaar weliswaar summier doch wel afdoende is gemotiveerd waarom de door Blokzeijl aangegeven beperkingen, voorzover deze verder gaan dan de FML, niet worden gevolgd. Daarbij acht de Raad, evenals de rechtbank, van belang dat die beperkingen afgezien van de duurbeperking niet veel afwijken van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, terwijl voor de duurbeperking geen objectief medische motivering is gegeven.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat in de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is toegelicht waarom de thans nog resterende functies voor appellante geschikt zijn, zowel wat betreft de daarmee verbonden belasting als wat betreft de opleidingseisen. Daarbij merkt de Raad nog op dat de belasting in deze functies slechts op een gering aantal aspecten de door Blokzeijl aangegeven beperkingen overschrijdt, en dan nog slechts in beperkte mate. Hetgeen appellante met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging daarvan.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) J. Verrips.