Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-1841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. CBBS-systeem geaccepteerd. Deugdelijke toelichting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 maart 2005, 04/3576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als oproepmedewerkster in de kinderopvang, meldde zich per 5 mei 1998 ziek vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet in verband met buikklachten. Na verloop van de wachttijd is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadat verzekeringsarts T. Th. Stout, in het kader van een herbeoordeling, appellante op 28 augustus 2003 had onderzocht is hij in een rapport van dezelfde datum tot de conclusie gekomen dat appellante psychische beperkingen heeft voor arbeid, waarin zij risico loopt op emotionele herbeleving van stress. Daarnaast wordt zij niet goed in staat geacht conflictsituaties te hanteren. Met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellante vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 oktober 2003. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige J. Meijer op 7 november 2003 rapport uitgebracht. In dit rapport is zij tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit van 2 december 2003 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 20 januari 2004 wordt ingetrokken.

In het kader van het door appellante tegen het besluit van 2 december 2003 gemaakte bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts H.E. Wonnink in zijn rapport van 26 mei 2004 op basis van de stukken die zich in het dossier bevonden, geconcludeerd dat de primaire beslissing ten aanzien van de vastgestelde functionele mogelijkheden kan worden gehandhaafd.

Bij besluit van 20 juli 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat, nu pas tijdens de procedure bij de rechtbank een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts (lees: bezwaararbeidsdeskundige) is ingebracht, de rechten van appellante onaanvaardbaar zijn geschonden. Daarnaast voert appellante aan dat de geduide functies niet door haar kunnen worden verricht omdat die in de praktijk een hoge lichamelijke productiviteit vergen.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische kant van de onderhavige schatting verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank. Uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Wonnink, is naar het oordeel van de Raad, niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten.

In hetgeen door appellante in hoger beroep, zonder enige medische onderbouwing, is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

De in geding zijnde schatting is uitgevoerd met behulp van het CBBS. In zijn uitspraken van 9 november 2004,

LJNrs AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, heeft de Raad overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS, uiterlijk bij besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In de reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel vernietigd te worden. Indien het Uwv het besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

De Raad stelt vast dat blijkens de FML van 6 oktober 2003 appellante - onder meer - beperkt wordt geacht op het aspect frequent zware lasten hanteren tijdens het werk. In de functie van Postbesteller (Sbc-code 282080) komt op dit aspect een overschrijding van de belastbaarheid van appellante voor. In beroep is een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige F. Swart van 10 november 2004 overgelegd. Hierin wordt een nadere motivering gegeven met als strekking dat in de desbetreffende functies geen aspecten voorkomen waarop appellante door de verzekeringsarts is beperkt, die de functionele mogelijkheden van appellante overschrijden. Tijdens de zitting is voorts door de gemachtigde van het Uwv in het bijzonder het aspect frequent zware lasten hanteren nader gemotiveerd. De Raad is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies door appellante kunnen worden vervuld. Nu deze toelichting echter eerst in beroep is gegeven bestaat er, gezien hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het aan appellante betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.