Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-1927 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering intrekking WAO-uitkering te herzien. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1927 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 februari 2005, 04/2687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellant, is met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontving laatstelijk een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 14 november 2000 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 6 september 1999 wordt ingetrokken. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 juni 2002 ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft de gemachtigde van appellant het Uwv verzocht om appellant met terugwerkende kracht vanaf februari 2000, dan wel vanaf enig moment na begin 2000, met toepassing van de wet “Amber” toegenomen arbeidsongeschikt te achten.

Naar aanleiding van bovengenoemd verzoek is appellant door verzekeringsarts P. Kalshoven op het spreekuur van

2 december 2002 onderzocht. Deze heeft geconcludeerd dat appellant in staat is tot het verrichten van gangbare arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv aan appellant bij besluit van 29 april 2003 meegedeeld dat hij op en na 6 september 1999 blijvend minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bezwaarverzekeringsarts P. Hulleman heeft in haar rapport van 22 januari 2004 geconcludeerd dat geen nieuwe medische gezichtspunten zijn aangeleverd waarop de primaire beoordeling zou moeten worden herzien.

Bij besluit van 28 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Evenals in beroep heeft de gemachtigde van appellant in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat het Uwv ten onrechte het in mei 1999 opgestelde belastbaarheidspatroon onverminderd van toepassing heeft geacht, nu blijkens het rapport van een verzekeringsarts van 10 mei 1999 geen depressieve klachten worden onderkend terwijl dit bij het onderzoek door de verzekeringsarts van 2 december 2002 wel het geval is.

De Raad oordeelt als volgt.

Kalshoven heeft, na appellant psychisch en lichamelijk te hebben onderzocht, in zijn rapport van 2 december 2002 de diagnose gesteld: claudicatio intermittens en depressieve klachten. Vervolgens heeft hij geconcludeerd dat appellant ten opzichte van de eerder opgestelde rapportages geen toegenomen klachten heeft en dat derhalve het belastbaarheidspatroon opgesteld in mei 1999 kan worden gehandhaafd. Bezwaarverzekeringsarts Hulleman heeft informatie bij de huisarts van appellant opgevraagd en op basis van deze informatie en de gegevens die zich in het dossier bevonden geconcludeerd dat geen nieuwe medische gezichtspunten zijn aangeleverd waarop de primaire beoordeling zou moeten worden herzien.

Ten aanzien van de in hoger beroep opgeworpen grief oordeelt de Raad dat de enkele omstandigheid dat de diagnose depressie niet door de verzekeringsarts in mei 1999 is genoemd, niet met zich meebrengt dat door deze verzekeringsarts geen psychische beperkingen zijn vastgesteld. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit het belastbaarheidspatroon van mei 1999 genoegzaam blijkt dat appellant beperkt wordt geacht op het (psychische belastende) aspect 28A: werken onder tijdsdruk, waarbij verder van belang is dat Kalshoven in zijn rapportage van 2 december 2002 heeft geoordeeld dat de beperkingen zoals verwoord in het desbetreffende belastbaarheidspatroon kunnen worden gehandhaafd in het licht van de door hem gestelde diagnose. Dat deze diagnose ook depressieve klachten vermeldt, doet naar het oordeel van de Raad aan het vorenstaande niet af.

Nu door de gemachtigde van appellant – ondanks meerdere aankondigingen daartoe – geen enkele medische informatie is overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts, ziet de Raad in het licht van het bovenstaande geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden.

De Raad ziet dan ook – in aanmerking genomen dat niet is gebleken van een toename van de medische beperkingen – geen aanleiding het oordeel van het Uwv, dat appellant op en na 6 september 1999 blijvend minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht, voor onjuist te houden.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.