Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-2003 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Onderbouwing voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2003 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2005, 2004/1199 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007.

Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die werkzaam is geweest als beveiligingsbeambte, ontvangt sedert 12 september 1993 wegens beperkingen van de rechterpols een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 22 maart 2004 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 19 mei 2004 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij is vastgesteld dat appellant naast de reeds bekende fysieke klachten vooral persisterende psychische klachten heeft die zijn functionele mogelijkheden beperken. Dit is neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Een arbeidskundige heeft vervolgens functies geselecteerd, waarin appellant een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdienvermogen van 15,14%.

In de bezwaarfase is appellant gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die mede gelet op de informatie van de behandelend sector de functiebeperking van de rechterpols van appellant ernstiger inschatte en appellant op een aantal aspecten van de FML meer beperkt achtte. Na nader arbeidskundig onderzoek is vervolgens bij besluit van

15 juli 2004 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 maart 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft met betrekking tot de medische component van de onderhavige schatting doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, die haar standpunt naar aanleiding van een door appellant ingebracht rapport van 23 november 2004 van drs. H. Heijkoop, gezondheidspsycholoog te Kerkrade, in een rapport van

13 januari 2005 nog nader heeft toegelicht.

De rechtbank heeft met betrekking tot de arbeidskundige component van de onderhavige schatting onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4718) overwogen dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde, zodat het betreden besluit diende te worden vernietigd. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar het door de bezwaararbeidsdeskundige op 13 juli 2004 uitgebrachte rapport, op grond waarvan een geselecteerde functie buiten beschouwing diende te blijven. In aanmerking nemend dat nog een voldoende aantal functies met voldoende arbeidsplaatsen aan de schatting ten grondslag lag, heeft de rechtbank echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand dienen te blijven.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts K. Corten in haar rapport van 13 januari 2005 in reactie op voormeld psychologisch rapport van 23 november 2004 genoegzaam uiteengezet dat in de situatie van appellant niet is voldaan aan de criteria welke volgens DSM-IV gelden voor de aanwezigheid van een posttraumatische stress-stoornis. Van de zijde van appellant zijn geen nadere medische gegevens in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt, zodat de Raad geen reden ziet voor een andersluidend oordeel.

Ook wat betreft de arbeidskundige component van het bestreden besluit onderschrijft de Raad, in aanmerking nemend dat in hoger beroep met een arbeidskundig rapport van 9 februari 2007 een nadere toelichting is verstrekt op de voor appellant geschikt te achten functies, het oordeel van de rechtbank.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.