Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3874 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3874 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 mei 2005, 04/2247 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft laatstelijk via een uitzendbureau produktiewerk verricht bij [naam bedrijf]. Op 18 maart 2004 is appellant wegens rugklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid.

Naar aanleiding van dit ziektegeval is appellant op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts die bij onderzoek vaststelde dat appellants schoudergordel overbelast was geweest, maar dat deze weer normaal belastbaar was. Het lichamelijk onderzoek liet geen afwijkingen zien en appellant werd per 5 juli 2004 hersteld verklaard.

Bij besluit van 5 juli 2004 is dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van deze datum geen recht had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts H.M. Brouwer, die blijkens een rapport van 8 september 2004 bij onderzoek een volledig ongestoorde functie van nek, schouders, armen en rug constateerde. Ook bij dit onderzoek werden geen afwijkingen geconstateerd.

Bij besluit van 22 september 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was het onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. In de door appellant ingebrachte brief van zijn huisarts van 9 november 2004, waarin de diagnose “myogene pijn” werd gesteld zag de rechtbank gelet op het commentaar van voornoemde bezwaarverzekeringsarts van 23 november 2004 onvoldoende reden voor een ander oordeel.

De Raad verenigt zich gelet op de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hoger beroep zijn geen medische gegevens ingebracht die erop wijzen dat de betrokken verzekeringsartsen de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding verkeerd hebben beoordeeld.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.