Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-1654 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding bezwaar termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1654 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 14 februari 2006, 05/1060 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Tadema, advocaat te Deventer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tadema voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 maart 2005 geen recht had op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Appellant heeft op 22 februari 2005 een bezwaarschrift ingediend, dat op 25 februari 2005 door het Uwv is ontvangen.

Bij besluit van 31 mei 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de bezwaartermijn van twee weken was ingediend.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van twee weken is ingediend en dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat appellant met het te laat indienen van het bezwaar redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:

“Weliswaar staat voldoende vast dat eisers post in het kader van een schuldsanering naar de bewindvoerder werd verstuurd die de post niet onmiddellijk na ontvangst doorstuurde aan eiser, doch onvoldoende aannemelijk is gemaakt en of geworden dat in casu eiser het besluit eerst na verloop van de twee weken durende bezwaartermijn van zijn bewindvoerder heeft ontvangen, gelet ook op de verklaring van de bewindvoerder van eiser, [A.], van 11 april 2005 dat de post één keer per week aan eiser werd doorgestuurd alsmede de telefonische verklaring van TPG business services aan verweerder van 18 april 2005 dat de post direct en dus zonder vertraging wordt gestuurd aan de bewindvoerder en niet wordt verzameld door TPG.”

De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep erkend dat bij een normale postverwerking het besluit van 3 februari 2005 op vrijdag 4 februari 2005 bij de bewindvoerder ingekomen zou kunnen zijn. Het stuk zou dan – aldus het beroepschrift – een week nadien op vrijdag 11 februari 2005 naar appellant verzonden kunnen zijn, zodat deze dit op zaterdag 12 februari 2005 zou hebben kunnen ontvangen. Naar het oordeel van de Raad bevestigt deze redenering het oordeel van de rechtbank dat niet valt uit te sluiten dat appellant het besluit van 3 februari 2005 nog binnen de bezwaartermijn van twee weken heeft ontvangen. Van appellant mocht worden verwacht dat hij vervolgens zo spoedig mogelijk – desnoods voorlopig – bezwaar had gemaakt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na ontvangst van het primaire besluit om psychische redenen daartoe niet in staat was.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspaak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.