Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-4233 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na sluiting onderzoek zaken gesplitst. Afzonderlijk uitspraak in dit geding. Terugvordering WAO-uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

05/4233 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2005, 04/2151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met het geding met de nummers 04/7376 WAO en 05/2744 WAO - plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

Na sluiting van het onderzoek heeft de Raad het aangewezen geacht tot splitsing over te gaan, zodat in dit geding afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Appellant was werkzaam als vloerenlegger toen hij op 16 januari 1984 in verband met rugklachten uitviel voor zijn werk. Per 14 januari 1985 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 1 januari 1993 is appellant als vertegenwoordiger in dienst getreden van [naam B.V.] B.V. te Alphen aan den Rijn. Na controle van gegevens van appellant bij de Belastingdienst is een onderzoek gepleegd naar de inkomsten van appellant. Dit heeft geresulteerd in het Rapport werknemersfraude van 15 augustus 2001. Naar aanleiding van die rapportage heeft het Uwv onderzocht of er aanleiding was om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te herzien dan wel of er redenen waren om een korting op de WAO-uitkering toe te passen. Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal afzonderlijke besluiten waarbij - voor zo ver hier van belang en in dit geding in geschil - de uitkering van appellant over de periode vanaf 1 juni 1998 niet of niet geheel betaalbaar werd gesteld en waarbij tevens een bedrag aan onverschuldigde betaling over de periode van 1 juni 1998 tot 30 september 2001 werd teruggevorderd.

De daartegen gemaakte bezwaren heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van

9 augustus 2004 - onder wijziging van de toepassing van artikel 44 met uitzondering van de periode van 1 augustus 2000 tot en met januari 2001 en vanaf 1 juli 2001, alsmede het terugvorderingsbedrag - voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, welk beroep - voor zover hier belang - bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het maatmaninkomen juist vastgesteld, zijn de door appellant genoemde autokosten terecht niet in mindering gebracht op diens inkomsten en is de berekening van de terugvordering voldoende inzichtelijk.

Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Kort gezegd vecht appellant de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het maatmanloon, zijn inkomsten, de autokostenvergoeding en de hoogte van het teruggevorderde bedrag aan.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het Uwv op een juiste wijze het maatmaninkomen heeft berekend. De Raad is daarbij tevens van oordeel dat het Uwv terecht de autokosten van appellant niet op diens inkomen in mindering heeft gebracht. De Raad volstaat er mee voor de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid te verwijzen naar de overwegingen in de heden gedane uitspraak in het geding dat is geregistreerd onder de nummers 04/7376 WAO en 05/2744 WAO.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het Uwv voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk bedrag aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering wordt teruggevorderd. De Raad verwijst daarbij onder meer naar de brief van het Uwv van 24 maart 2005 waarin het Uwv op verzoek van de rechtbank een nadere toelichting heeft gegeven. Ten slotte wijst de Raad er op dat het Uwv op 17 januari 2007 in hoger beroep nogmaals een toelichting bij de terugvordering heeft gegeven. Uit die toelichting blijkt voldoende duidelijk dat het Uwv een gedeelte van hetgeen ten onrechte is betaald niet (langer) van appellant terugvordert, zodat appellant met hetgeen thans van hem wordt teruggevorderd niet tekort wordt gedaan.

Volgens appellant wordt voor de periode van de terugvordering van 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999 uitgegaan van 132 dagen hetgeen niet in overeenstemming is met de door het Uwv ten aanzien van de bepaling van het maatmaninkomen gehanteerde aantal van 21,75 werkdagen per maand. De Raad merkt, met het Uwv, ten aanzien daarvan echter op dat het bij die 132 dagen gaat om het totale aantal uitkeringsdagen over bedoelde periode en niet om het gemiddelde aantal werkdagen per maand.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls