Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
05/3212 WAO, 05/1925 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Weigering ZW-uitkering. Zijn arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3212 WAO en 05/1925 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 25 februari 2005, respectievelijk 02/223 en 02/454 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker, is op 22 juni 1999 uitgevallen met linker elleboog- en polsklachten. In verband hiermee ontving hij sinds 20 juni 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Intrekking uitkering ingevolge de WAO (05/3212 WAO)

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 1 november 2000 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts constateerde een neuropathie en een epicondylitis medialis aan de linker arm en stelde een aantal beperkingen vast, die hij neerlegde in een belastbaarheidspatroon van 1 november 2000. Hiervan uitgaande heeft arbeidsdeskundige P. de Jong in zijn rapport van 12 december 2000 negen functies geselecteerd, waaronder de functie van medewerker afd. aanhang (fb-code 7738) en de functie van ophanger/afnemer (fb-code 7289), en heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee is de uitkering bij besluit van 14 december 2000 met ingang van 15 februari 2001 ingetrokken.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft verzekeringsarts J.F. Pauw in haar rapport van 6 augustus 2001 toegelicht waarom dat de overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies toelaatbaar zijn. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink appellant gezien en in zijn rapport van 11 oktober 2001 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel, zij het dat de functie van medewerker afd. aanhang (fb-code 7738) door hem alsnog niet passend werd geacht. In aansluiting hierop heeft bezwaararbeidsdeskundige R. Speur in zijn rapport van 5 november 2001 geconcludeerd dat, ondanks het vervallen van deze functie, voldoende functies resteren en dat het verlies aan verdiencapaciteit niet verandert. In aansluiting hierop is het bezwaar bij het bestreden besluit van 5 februari 2002 ongegrond verklaard.

In het kader van de beroepsprocedure is appellant op verzoek van de rechtbank onderzocht door algemeen chirurg

prof. dr. R.J.A. Goris. In zijn rapport van 4 oktober 2003 concludeerde deze deskundige dat de medische toestand van appellant op 15 februari 2001 zodanig was dat het belastbaarheidspatroon van 1 november 2000 op hem van toepassing kon worden geacht, zij het dat wat betreft het tillen en het dragen de linker arm slechts licht en niet continu belastbaar is. In zijn rapporten van 16 oktober 2003 en 1 juni 2004 heeft bezwaarverzekeringsarts Weegink zijn standpunt op dit punt nader toegelicht. Hierbij is aangegeven dat hij het eens is met bedoelde constatering van de deskundige, maar dat hiermee in het belastbaarheidspatroon reeds voldoende rekening is gehouden. Voorts is hierbij aangegeven dat de linker arm meer belast kan worden dan enkel in ondersteunende zin. Bezwaararbeidsdeskundige C.A.J. Wijne heeft in zijn rapport van 24 juni 2004 zijn standpunt dat de acht resterende functies onvermindert geschikt zijn, eveneens nader toegelicht. Vervolgens is op verzoek van de rechtbank een rapport uitgebracht door arbeidsdeskundige W.J.C. Ambagts. In zijn rapport van 13 juli 2004, desgevraagd aangevuld bij rapport van 29 september 2004, heeft deze deskundige geconcludeerd dat alle acht resterende functies, voor wat betreft het tillen en het dragen, per 15 februari 2001 passend zijn, zij het dat met betrekking tot de functie van ophanger/afnemer (fb-code 7289) nader onderzoek moet worden verricht. Ter zitting van de rechtbank heeft bezwaararbeidsdeskundige Wijne op dit punt nog een nadere toelichting gegeven.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In dit kader heeft de rechtbank overwogen geen reden te hebben om te twijfelen aan de juistheid van de zienswijze van deskundige Goris. Het door hem opgestelde rapport is op zorgvuldige wijze, met inachtneming van alle beschikbare medische informatie, tot stand gekomen, terwijl evenmin gezegd kan worden dat het rapport inhoudelijk niet concludent is. Voorts is overwogen dat de rechtbank niet is kunnen blijken van omstandigheden op grond waarvan de opvatting van deskundige Ambagts en de arbeidsdeskundige niet zouden kunnen worden gevolgd.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de reactie van bezwaarverzekeringsarts Weegink op het rapport van deskundige Goris ontoereikend is. Voorts heeft hij gesteld dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn psychische klachten. Ter zitting van de Raad is in dit verband nog een beroep gedaan op informatie van huisarts H.S. Emanuels van 15 februari 2002. Verder is, onder verwijzing naar uitspraken van respectievelijk de rechtbank Zwolle (LJN: AE6761) en de Raad (LJN: AF5572), de stelling herhaald dat het verlies aan verdiencapaciteit op een onjuiste wijze is berekend. Tot slot is nog aangevoerd dat onvoldoende acht is geslagen op de opleidingseisen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen en geconcludeerd. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden voor een andersluidend oordeel.

De Raad heeft hierbij overwogen geen aanleiding te zien om het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Weegink op het rapport van deskundige Goris ontoereikend te achten, te meer niet nu appellant niet heeft aangegeven om welke reden dit commentaar niet juist zou zijn. De grief van appellant dat te weinig aandacht is besteed aan zijn psychische klachten slaagt evenmin. De Raad kan aan de verklaring van de huisarts niet het gewicht hechten dat appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds niet vanwege het feit dat deze verklaring geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.

Voorts kan de Raad appellant niet volgen in zijn grief dat het verlies aan verdiencapaciteit op een onjuiste wijze is berekend. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie LJN: AH8580) dient bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit uit te worden gegaan van een zo hoog mogelijke restverdiencapaciteit per uur. De Raad acht de door bezwaararbeidsdeskundige Speur in dit verband in zijn rapport gegeven toelichting toereikend. De door appellant aangehaalde uitspraken hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de uitspraak van de rechtbank Zwolle in hoger beroep door de Raad is vernietigd (zie LJN: AO5192). Ook de grief met betrekking tot de opleidingseisen slaagt niet. In dit verband heeft de Raad overwogen dat appellant, waar het betreft de functie van ophanger/afnemer (fb-code 7289), weliswaar niet over het vereiste opleidingsniveau (BO) beschikt, maar dat het ontbreken van dit diploma, nu het gaat om een functie in de eenvoudige produktiesfeer, voldoende wordt gecompenseerd door zijn relevante, uit het rapport van arbeidsdeskundige De Jong blijkende, werkervaring als produktiemedewerker. De Raad merkt tot slot nog op dat de overige, niet door het rapport van deskundige Ambagts bestreken, overschrijdingen van de belastbaarheid in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voldoende zijn toegelicht in het rapport van verzekeringsarts Pauw.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in dit geding voor bevestiging in aanmerking komt.

Weigering (verdere) uitkering ingevolge de ZW (05/1925 ZW)

Aansluitend op de intrekking van de WAO-uitkering is appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft hij zich op 10 oktober 2001 ziek gemeld wegens elleboog-, pols- en schouderklachten en psychische klachten. Appellant is op 27 november 2001 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze concludeerde dat er geen verandering is ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling en dat de ziekmelding niet wordt geaccepteerd. Vervolgens is appellant bij besluit van 25 december 2001 met ingang van 26 november 2001 een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

In het kader van de bezwaarprocedure is appellant onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep. In zijn rapport van 16 april 2002 constateerde deze arts, mede op basis van informatie van huisarts Emanuels van 15 februari 2002, dat gezien de afwijkingen aan de nek, linkerschouder en -arm, het belastbaarheidspatroon van 1 november 2000 nog steeds van toepassing is en dat, wat betreft de psychische klachten, er geen reden is om beperkingen vast te stellen. Vervolgens concludeerde hij dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Hierbij is, onder verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 11 oktober 2001 in het geding 05/3212 WAO, nog aangegeven dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies, met uitzondering van de functie van medewerker afd. aanhang (fb-code 7738). In verband met het ten onrechte toekennen van terugwerkende kracht aan het besluit van 25 december 2001, is het bezwaar bij het bestreden besluit van 24 april 2002 gegrond verklaard en is appellant met ingang van 28 november 2001 een (verdere) uitkering ingevolge de ZW geweigerd.

In het kader van de beroepsprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in zijn rapport van 15 juli 2002 zijn standpunt nog nader toegelicht. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsartsen in strijd met de zorgvuldigheid hebben gehandeld door geen inlichtingen in te winnen bij de behandelend sector. Voorts heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geen deskundige ingeschakeld.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zoals uit het voorgaande blijkt is appellant geschikt geacht voor de in het rapport van arbeidsdeskundige De Jong van 12 december 2000 vermelde functies, met uitzondering van de functie van medewerker afd. aanhang (fb-code 7738).

De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 28 november 2001 niet ongeschikt moet worden geacht voor (ten minste één van) deze functies.

De Raad ziet in de aan het bestreden besluit van 24 april 2002 ten grondslag gelegde medische rapporten geen aanleiding om het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Daarbij wijst de Raad er op dat, blijkens het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep van 15 juli 2002, geen (nadere) medische informatie is ingewonnen omdat reeds recente informatie van de huisarts voorhanden was. Voorts ziet de Raad in de informatie van de huisarts, noch in de overige beschikbare medische informatie, aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Daarbij merkt de Raad nog op dat de informatie van de huisarts, blijkens de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep van 16 april 2002 en 15 juli 2002, in bezwaar is meewogen. Overigens heeft appellant in beroep noch in hoger beroep nadere medische informatie ingebracht die zijn standpunt zou kunnen onderbouwen. Onder deze omstandigheden ziet de Raad ook geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige op het gebied van de psychiatrie.

Hieruit volgt dat voormelde vraag bevestigend moet worden beantwoord Daarbij heeft de Raad de uitkomst in het geding 05/3212 WAO mede in aanmerking genomen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat ook in dit geding de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) J. Verrips.