Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
05/4246 + 06/954 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering (35-45%). Bij nader besluit 45-55%. Rechtbankuitspraak op juiste wijze tot stand gekomen?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4246 + 06/954 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2005, 04/2620 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 januari 2006 heeft het Uwv de Raad een afschrift doen toekomen van een nader besluit van dezelfde datum (hierna: besluit 2) en verzocht dit besluit in de procedure te betrekken.

Bij brief van 26 februari 2007 heeft mr. Wolter voornoemd een reactie op besluit 2 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007.

Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 2 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van 7 januari 2004 (hierna: besluit 1), waarbij het besluit van 23 juni 2003 is gehandhaafd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er op basis van de medische gegevens geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid per 2 juni 2003.

In hoger beroep heeft mr. Wolter al zijn grieven uit eerdere aanleg, zowel medisch als arbeidskundig, herhaald. Vanwege zijn slechte gezondheidssituatie was appellant per n het bijzonder de werkzaamheden verbonden aan de functies die hem zijn voorgehouden. Tevens zou het maatmaninkomen onjuist zijn vastgesteld.

Op 29 december 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers rapport uitgebracht waarin hij, naar aanleiding van de door mr. Wolter naar voren gebrachte grief inzake de onjuiste vaststelling van het maatmaninkomen, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader heeft berekend op 45 tot 55%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit 2, onder intrekking van besluit 1, appellant met ingang van 2 juni 2003 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering berekend naar de aangegeven mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat besluit 2 in de beoordeling moet worden betrokken omdat het beroep van appellant tegen besluit 1 op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2. Hierbij geldt dat het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat is verzocht om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Namens appellant is in dit geval verzocht om als schadevergoeding toe te kennen de wettelijke rente over de bruto na te betalen uitkering.

Nu besluit 2 in de plaats is getreden van besluit 1 kunnen naar het oordeel van de Raad de aangevallen uitspraak en besluit 1 niet in stand blijven, aangezien de WAO-uitkering ten onrechte op een te laag percentage is vastgesteld. Gelet hierop dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Voor wat betreft de wijze waarop het Uwv de door appellant gevorderde schadevergoeding dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN: ZB1495), gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 805,- voor verleende rechtsbij stand in hoger beroep, in totaal € 1.449,-.

Ook om andere redenen kan de aangevallen uitspraak evenwel niet in stand blijven.

De Raad, is - ambtshalve toetsend - van oordeel dat de aangevallen uitspraak niet op een juiste wijze tot stand is gekomen.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 27 januari 2005 ter zitting geschorst, nadat hem was gebleken dat het dossier niet compleet was. Appellant’s gemachtigde heeft bij brief van 11 februari 2005 een reactie ingezonden, waarna de rechtbank partijen heeft verzocht om toestemming om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Nadat het Uwv bij brief van 8 maart 2005 nog een nadere reactie, met bijlage, heeft gestuurd en tevens de gevraagde toestemming heeft verleend, heeft de gemachtigde van appellant daarop op 26 april 2005 nog gereageerd en daarbij eveneens schriftelijk toestemming verleend om, overeenkomstig artikel 8:57 van de Awb, het beroep buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft de reactie van de zijde van appellant van 21 september 2004, in strijd met artikel 8:39, eerste lid, van de Awb, niet meer aan het Uwv voorgelegd.

De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie terzake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die eerder is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

Allereerst gaat de Raad voorbij aan de eerst ter zitting van de Raad opgeworpen grief dat onzeker is of mevrouw M. Harbiye, die de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling d.d. 8 april 2003 heeft opgesteld, de beschermde titel ‘verzekeringsarts’ draagt. Appellants gemachtigde heeft desgevraagd toegegeven dat hij deze grief wel eerder naar voren had kunnen brengen, maar dat hij er eenvoudigweg niet eerder aan heeft gedacht. Daarmee heeft hij het Uwv de gelegenheid ontnomen om hierop nog te kunnen reageren. Dit geldt te meer nu daarenboven de juistheid van zijn stelling ongewis is en mr. Wolter heeft niet heeft kunnen aangeven of, en zo ja welke consequenties dit zou moeten hebben voor de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellant met de FML van 11 april 2003 niet is overschat. De beschikbare gegevens bevatten naar het oordeel van de Raad voldoende informatie omtrent de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan het eigen, niet met medische gegevens uit bijvoorbeeld de behandelend sector onderbouwde, standpunt dat namens appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand naar voren is gebracht, kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat hij daaraan gehecht wil zien.

Voor wat betreft het arbeidskundig aspect van de schatting overweegt de Raad dat appellant met de voor hem vastgestelde functionele mogelijkheden in staat moet worden geacht de geselecteerde functies, onder meer Archiefmedewerker (Sbc 315130), Administratief medewerker (Sbc 515100) en Medewerker bibliotheek (Sbc 553020), te verrichten. In zijn rapportages van 18 januari 2005 en 7 maart 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Veugelaers eventuele overschrijdingen van de vastgestelde belastbaarheid uitgebreid gemotiveerd en accoord bevonden. Vergelijking van het voor appellant geldende - hangende hoger beroep aangepaste, in besluit 2 neergelegde - maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan verdienen met de voor hem passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 46,3% en daarmee tot indeling in de in besluit 2 aangegeven arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,-, te betalen door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen appellant het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.