Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
06-4715 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Weigering bijzondere bijstand (tandartskosten). Woonplaats?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4715 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2006, 06/2403 en 06/1988 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ramdas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roodhorst en H. Mentink, beiden werkzaam bij de gemeente Albrandswaard.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 21 juli 2005 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in tandartskosten.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant niet daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres aan de [adres 1] te [woonplaats] in de gemeente [gemeente] zou wonen maar die woning zou onderverhuren, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het Regionaal Opsporingsteam Sociale Recherche van de gemeente Spijkenisse - mede naar aanleiding van een tweetal processen-verbaal van bevindingen gedateerd 9 oktober 2005 respectievelijk 13 oktober 2005 opgesteld door wijkpolitie [gemeente] waarin verklaringen zijn opgenomen van twee bewoonsters van de woning aan de [adres 1] - driemaal getracht een huisbezoek aan het adres [adres 1] af te leggen. Voorts is dossieronderzoek verricht, is onderzoek gedaan naar een witte [bus] waarvan appellant gebruik zou maken en heeft een gesprek met appellant plaatsgehad.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 3 november 2005 en 17 november 2005.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 22 november 2005 de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2005 te beëindigen en de bijstand over de periode vanaf 1 april 2005 in te trekken en tevens om bij - afzonderlijk - besluit van 25 november 2005 de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand af te wijzen. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 22 november 2005 respectievelijk 25 november 2005 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant, door geen informatie aan het College te verstrekken betreffende de (onder)verhuur van zijn woning aan de [adres 1] en de onduidelijkheid die als gevolg daarvan is ontstaan omtrent zijn woonadres in de gemeen[gemeente], de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is onder andere aangevoerd dat de twee processen-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2005 respectievelijk 13 oktober 2005 geen onderdeel mogen uitmaken van de besluitvorming door het College, aangezien de in deze processen-verbaal opgetekende verklaringen op onrechtmatige wijze zijn verkregen doordat de wijkpolitie [gemeente] heeft gehandeld in strijd met artikel 12 van de Grondwet en artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is allereerst van oordeel dat ten aanzien van de - eerst ter zitting van de Raad geuite - grief van appellant dat met betrekking tot de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen sprake is van strijd met de Grondwet en met de Algemene wet op het binnentreden, geen grond gelegen kan zijn voor vernietiging van het bestreden besluit, nu in deze grief niet concreet is gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden van een dergelijke strijdigheid sprake zou zijn, terwijl de beschikbare gegevens op zichzelf evenmin nopen tot de gevolgtrekking dat een dergelijke strijdigheid zou bestaan.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, overweegt de Raad dat het besluit van 22 november 2005 tot beëindiging van de bijstand per 1 oktober 2005 dient te worden aangemerkt als een intrekking met ingang van die datum, en dat de door de Raad te beoordelen periode in een dergelijk geval loopt tot en met de datum van dat besluit. Mede gelet op de intrekking van de bijstand over de aan 1 oktober 2005 voorafgaande periode, dient de Raad in dit geval te beoordelen de periode van 1 april 2005 tot en met 22 november 2005.

Waar iemand woont is van essentieel belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. De belanghebbende dient daarover tijdig juiste en volledige inlichtingen aan het bijstandverlenend bestuursorgaan te verstrekken.

De Raad is evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat uit de gegevens van het door de sociale recherche verrichte onderzoek genoegzaam naar voren is gekomen dat appellant gedurende de hier in geding zijnde periode niet heeft verbleven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Daarbij kent de Raad in de eerste plaats betekenis toe aan de processen-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2005 respectievelijk 13 oktober 2005, in welke processen-verbaal verklaringen zijn opgenomen van twee vrouwen die ten tijde van belang in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] verbleven. Een van die vrouwen verbleef sedert maart/april 2005 in de woning en heeft verklaard die woning van appellant te huren en alleen in die woning te verblijven, terwijl de andere vrouw heeft verklaard tijdelijk in de woning woonachtig te zijn. De Raad heeft voorts van belang geacht dat de sociale recherche in oktober 2005 driemaal heeft getracht een huisbezoek bij de woning van appellant af te leggen, maar appellant toen niet heeft aangetroffen, dat appellant in de periode van april tot 5 september 2005 veelvuldig geld heeft opgenomen uit een geldautomaat aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] en slechts éénmaal in [woonplaats], dat appellant in oktober 2005 als bestuurder van een witte [bus] in [plaatsnaam] is waargenomen terwijl die [bus] vervolgens gedurende een aantal dagen op een parkeerplaats van een flatwoning in [plaatsnaam] is aangetroffen en dat appellant, geconfronteerd met het voorgaande, daarover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

Al deze gegevens, bezien in onderling verband, bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant ten tijde hier in geding niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft daartegenover onvoldoende gesteld. Aan de in beroep overgelegde verklaringen van M. [B.] en M.J. [T.], bewoners van de [adres 1] respectievelijk de [adres 2] te [woonplaats], kan de Raad niet de door appellant gewenste waarde toekennen, nu [B.] ten tijde in geding niet woonachtig was aan de [adres 1] en uit de verklaring van [T.] onvoldoende blijkt dat appellant ten tijde van belang wel feitelijk woonachtig was op het adres [adres 1] te [woonplaats].

Ook in hoger beroep heeft appellant niet de nodige duidelijkheid kunnen verschaffen over zijn woon- en verblijfssituatie ten tijde hier in geding.

De Raad komt dan ook evenals het College en de voorzieningenrechter van de rechtbank tot de conclusie dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht van appellant op bijstand over de in geding zijnde periode niet worden vastgesteld.

Uit het voorgaande volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand vanaf 1 april 2005. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in tandartskosten terecht heeft afgewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover deze is aangevochten.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.