Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
04-6176 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering met terugwerkende kracht. Zorgvuldigheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6176 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 23 september 2004, 04/897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Bouman, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk sedert 22 april 2003 werkzaam als medewerker in een rozenkwekerij. Op 2 juli 2003 heeft hij zich ziek gemeld wegens benauwdheid en psychische klachten. Op 25 augustus 2003 heeft een aan het Uwv verbonden verzekeringsarts appellant op het spreekuur gezien. Deze achtte hem per 4 augustus 2003 op grond van de longklachten, die bij het onderzoek op 25 augustus 2003 nog niet verdwenen waren, ongeschikt tot het verrichten van zijn werkzaamheden. Vervolgens is de controle overgedragen aan de arbo-arts van de werkgever van appellant. Deze arts heeft appellant op 29 september 2003 geheel arbeidsgeschikt verklaard. Daarop heeft appellant een deskundigenoordeel (second opinion) aangevraagd. In verband daarmee is hij op 17 oktober 2003 door de aan het Uwv verbonden verzekeringsarts L.L. Ubbink onderzocht. Deze heeft tevens kennisgenomen van inlichtingen van de huisarts van appellant en overleg gepleegd met een arbeidsdeskundige, die verklaarde dat bij het werk in de rozenteelt in principe geen sprake is van een stoffige werkomgeving. De verzekeringsarts Ubbink achtte appellant per 29 september 2003 in staat het eigen werk volledig te hervatten. Omdat inmiddels was gebleken dat appellant onder artikel 29b van de Ziektewet (ZW) viel, heeft het Uwv het onderzoek van de verzekeringsarts Ubbink aangemerkt als een medische herbeoordeling en appellant op grond daarvan bij besluit van 19 november 2003 bericht dat zijn ZW-uitkering met ingang van 29 september 2003 werd beëindigd.

Bij besluit van 6 februari 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 2003 ongegrond verklaard. In de bezwaarfase heeft de bezwaararbeidsdeskundige in het bedrijf van de werkgever van appellant een onderzoek ingesteld naar de werkzaamheden van appellant. De bezwaararbeidsdeskundige stelde vast dat de rozenteelt zoals bij deze werkgever aangetroffen een schone teelt is. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van de beschikbare gegevens vastgesteld dat gebleken is dat de werkomstandigheden voor de longen niet bezwaarlijk kunnen zijn geweest en dat er geen reden is om appellant arbeidsongeschikt te achten voor dit werk vanwege de astma. Evenmin achtte de bezwaarverzekeringsarts redenen aanwezig om arbeidsongeschiktheid om psychische redenen aan te nemen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat appellant zijn stellingen dat er mogelijk een verband is tussen het gebruik van bestrijdingsmiddelen en zijn allergieklachten, dat de werkomstandigheden gelet op zijn longklachten te belastend waren en dat onvoldoende aandacht is besteed aan de combinatie van de lichamelijke klachten met psychische klachten en het ontstaan van een arbeidsconflict, niet met relevante medische of andere gegevens heeft onderbouwd. Aan het rapport en de conclusies van een GGD-arts van

18 oktober 2004 kan de Raad niet het door appellant gewenste gewicht toekennen, reeds omdat dit dateert van ver na de hier van belang zijnde datum. Met betrekking tot de grief van appellant dat hij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, dat na de hoorzitting is uitgebracht, is de Raad van oordeel dat het Uwv niet gehouden was appellant daartoe in de gelegenheid te stellen, nu het onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige niet tot nieuwe bevindingen heeft geleid, zodat zich niet de in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde situatie voordoet.

De Raad is ondanks het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Los van het feit dat de hersteldverklaring door de arbo-arts op 29 september 2003 niet eerder tot beëindiging van het ziekengeld zou kunnen leiden dan per 30 september 2003, constateert de Raad dat aan de hersteldverklaring per 29 september 2003 een onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag ligt dat op 17 oktober 2003 heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant per 29 september 2003 is de verzekeringsarts in belangrijke mate afgegaan op gegevens van de arbodienst. Deze gegevens zijn, naar het Uwv de Raad desgevraagd heeft medegedeeld, niet meer te achterhalen. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische gegevens zijn dus in belangrijke mate oncontroleerbaar. Daarbij komt dat uit de gegevens van de huisarts van appellant blijkt dat op 26 september 2003 sprake was van hoesten en koorts en dat appellant op die datum nieuwe medicatie kreeg voorgeschreven. De Raad is, alles overziende, van oordeel dat de beëindiging van het ziekengeld met terugwerkende kracht niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het onderzoek van de verzekeringsarts op 17 oktober 2003, zoals nader onderbouwd met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts, vormt naar het oordeel van de Raad wel een toereikende grondslag voor de beëindiging van het ziekengeld. Nu appellant bij brief van

24 oktober 2003 in kennis is gesteld van de uitslag van dat onderzoek, ziet de Raad aanleiding met toepassing van

rtikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat appellant met ingang van 25 oktober 2003 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen en zal beslissen zoals hiervoor uiteengezet.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Stelt vast dat appellant met ingang van 25 oktober 2003 geen recht meer heeft op uitkering van ziekengeld ingevolge de ZW;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) J. Verrips .