Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
05-1781 WAO + 05-6002 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) WAO-schatting. 2) Eerstejaars herbeoordeling, WAO-uitkering ongewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1781 WAO + 05/6002 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2005, 04/1921 (hierna: aangevallen uitspraak I) respectievelijk van 28 september 2005, 04/3181 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.M.J.E. Budel.

II. OVERWEGINGEN

Geding 05/1781 WAO

Onder verwijzing naar aangevallen uitspraak I voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 14 juli 2004 (hierna: besluit 1) voor zover het Uwv daarbij

– beslissend op bezwaar – aan appellant met ingang van 1 april 2003, in aansluiting op het einde van de wachttijd, een uitkering heeft toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft het inleidend beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een aantal producties overgelegd.

Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen in acht genomen medische beperkingen van appellant. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de beperkingen van appellant zijn vastgesteld na onderzoek door de arts C.P. van Deventer. De bezwaarverzekeringsarts S. Gommers heeft vervolgens informatie opgevraagd en ontvangen van de huisarts; volgens de begeleidende brief van de huisarts inclusief alle hem ter beschikking staande “specialistische correspondentie.” Hiertoe behoorde onder andere een brief van de behandelend psychiater J.H.B. Zeijpveld d.d. 20 maart 2003. Laatstgenoemde zag appellant (voor het eerst) op het spreekuur van 14 maart 2003 met een diffuse angststoornis en concludeerde dat “Bij onderzoek is er geen sprake van depressieve symptomatologie, noch van een psychose.” Bezwaarverzekeringsarts Gommers concludeerde na bestudering van de door de huisarts toegestuurde informatie dat deze informatie niet leidde tot een ander oordeel. De door appellant ter zitting benadrukte omstandigheid dat de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) afwijkt van de door de bedrijfsarts J.P.P.C. van Gemert van Arboned op

4 juli 2003 opgestelde FML leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat het oordeel van Van Gemert is gebaseerd op eigen onderzoek van appellant en daarbij vastgestelde objectiveerbare ziekte of gebreken.

Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde medische informatie merkt de Raad op dat het grootste gedeelte hiervan al in bezwaar is overgelegd en dat de bezwaarverzekeringsarts daarmee bij zijn oordeel al rekening heeft gehouden. Voor zover sprake is van niet eerder overgelegde stukken zien deze ofwel op de medische situatie van appellant ver vóór de datum in geding dan wel ver ná de datum in geding, zodat daaraan geen (doorslaggevende) betekenis kan worden toegekend voor de medische situatie van appellant op de datum in geding.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat, in het geval de Raad tot het oordeel mocht komen dat de door de (bezwaar)verzekeringsartsen ten aanzien van appellant vastgestelde medische beperkingen juist worden geacht, de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt kunnen worden geacht en er ook overigens geen bezwaren tegen die functies bestaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de medische kant van besluit 1, vermag de Raad niet in te zien dat appellant ten tijde in geding niet in staat was tot het verrichten van tenminste 3 van de door de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg geselecteerde functies.

Uit het voorgaande concludeert de Raad, met de rechtbank, dat de door appellant ingediende gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat het Uwv appellant per 1 april 2003 ten onrechte een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aangevallen uitspraak I komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Geding 05/6002 WAO.

Dit geding heeft betrekking op het resultaat van de eerstejaars herbeoordeling.

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 15 tot 25%. Bij besluit van 12 november 2004 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 juli 2004 gemaakt bezwaar, gelet op besluit 1 en de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, in zoverre gegrond verklaard dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onveranderd 25 tot 35% bedraagt.

Bij uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant tegen besluit 2 in essentie dezelfde bezwaren aangevoerd als tegen besluit 1, te weten dat hij het niet eens is met de door het Uwv opgestelde FML en dat hij zich niet in staat acht de door het Uwv geselecteerde functies te verrichten.

Wat betreft de medische grondslag van besluit 2 overweegt de Raad dat het Uwv, in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts, heeft geconcludeerd dat de medische situatie van appellant onveranderd is en dat zodoende sprake is van onveranderde beperkingen. Nu de Raad geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de aangenomen beperkingen per einde wachttijd (geding 05/1781 WAO) en ook appellant zelf op het aan besluit 2 ten grondslag liggende formulier “Herbeoordeling WAO/WAZ/Wajong” d.d. 7 mei 2004 heeft aangegeven dat zijn klachten ongewijzigd zijn, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Door appellant zijn in het onderhavige geding ook geen nieuwe medische gegevens overgelegd.

Ook in dit geding heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd gesteld dat in het geval, de Raad tot het oordeel mocht komen dat de door de (bezwaar)verzekeringsartsen ten aanzien van appellant vastgestelde medische beperkingen juist worden geacht, de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt kunnen worden geacht en er ook overigens geen bezwaren tegen die functies bestaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de medische kant van besluit 2, vermag de Raad niet in te zien dat appellant ten tijde in geding niet in staat was tot het verrichten van de 3 door de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg per 1 augustus 2004 geselecteerde functies.

Uit het voorgaande concludeert de Raad dat de door appellant ingediende gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat het Uwv appellant per 1 augustus 2004 ten onrechte ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt heeft geacht. Aangevallen uitspraak II komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.