Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
04-6209 WAO + 07-1677 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (15-25%). Bij nader besluit 25-35%. Deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6209 WAO + 07/1677 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 september 2004, 04/717, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde

mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is dit heropend.

De Raad heeft zich omtrent de gezondheidstoestand van appellant en zijn functionele mogelijkheden om arbeid te verrichten bij rapport van 5 januari 2007 van verslag en advies laten dienen door prof. dr. P.P.G. Hodiamont, psychiater te Tilburg.

In reactie op dit rapport heeft het Uwv bij brief van 12 maart 2007 een besluit van gelijke datum ingezonden.

Appellant heeft bij brief van 19 maart 2007 meegedeeld dat met het besluit van 12 maart 2007 niet volledig aan het ingestelde beroep tegemoet gekomen is.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 30 maart 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Voets als zijn raadsvrouw. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 1 maart 2004 (besluit I) heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het tegen het besluit van 29 augustus 2003 gemaakte bezwaar, de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

29 oktober 2003 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank op de daarin weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit stand houdt.

Namens appellant is in hoger beroep evenals in eerste aanleg gesteld dat appellant volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, althans dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid meer bedraagt dan 15 tot 25%.

Bij het in rubriek I genoemde rapport van de als deskundige geraadpleegde psychiater prof. dr. P.P.G. Hodiamont is deze tot de conclusie gekomen dat bij het bestreden besluit van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat appellant niet in staat is functies te vervullen die langer dan een half uur concentratie vergen, in normaal tempo te handelen, gevoelens en impulsen normaal te hanteren en normale sociale interacties aan te gaan. Met betrekking tot het sociaal en beroepsmatig functioneren is vermeld dat dit sterk onvoldoende is.

In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben bij rapport van 24 januari 2007 gesteld dat op grond van dit rapport kan worden geconcludeerd dat er per de datum in geding tamelijk veel beperkingen zijn en heeft hij de voor appellant geldende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot is bij rapport van 8 maart 2007 nagegaan of de eerder voor appellant geschikt geachte functies met inachtneming van de aangepaste FML nog steeds geschikt zijn en heeft, onder vervallen verklaring van één functie, de overige geschikt geacht. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herzien naar 25 tot 35% en heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 12 maart 2007 (besluit II) overeenkomstig besloten.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, althans meer dan 25 tot 35%.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien het Uwv bij besluit II niet (volledig) aan het door appellant ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, dat hoger beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad een oordeel geven over dat besluit. Gelet op besluit II heeft appellant bij het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak geen in rechte te beschermen belang meer, nu de door appellant in hoger beroep ingebrachte grieven alle ten volle aan de orde kunnen komen bij de beoordeling van besluit II en appellant niet heeft gevraagd om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellant doen aanvoeren dat de bezwaarverzekerings-arts Sijben bij de aanpassing van de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de door de deskundige Hodiamont vermelde medische beperkingen. Onder meer heeft hij doen wijzen op item 1.7 van de FML, inhoudende dat het handelingstempo aanmerkelijk vertraagd is, waarbij de bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat het tempo van appellant is vertraagd, maar niet aanmerkelijk. Bij item 1.9 vermeldt de bezwaarver-zekeringsarts dat appellant is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is.

De Raad volgt appellant in zijn grief. Aan het rapport van 24 januari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts valt te ontlenen dat hij zich met de conclusies van de deskundige kon verenigen (“het wordt tijd om de handdoek in de ring te gooien”). Met vorenomschreven verwoording door de bezwaarverzekeringsarts is naar het oordeel van de Raad evenwel onvoldoende recht gedaan aan de conclusie van de deskundige Hodiamont dat appellant niet in staat is in een normaal tempo te handelen.

De Raad volgt appellant eveneens, gelet op de daaromtrent beschikbare gegevens, dat in alle geselecteerde functies minimaal een normaal handelingstempo is vereist. De omstandigheid dat in de functies zelfstandig aan een deeltaak wordt gewerkt en dat geen hoge eisen worden gesteld aan het handelingstempo en de kwantiteit laat onverlet dat die functies in een bedrijfsmatige omgeving moeten worden vervuld en dat niet aannemelijk is (gemaakt) dat een werktempo beneden het minimum van het als normaal te aanvaarden niveau op den duur geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het totale productieproces.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat besluit II op een ondeugdelijke grondslag berust.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep in zoverre dit geacht is te zijn gericht tegen het besluit van 12 maart 2007 gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.