Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
05-1407 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1407 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2005, 03/4287 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 april 2007. Appellant is verschenen in tegenwoordigheid van zijn gemachtigde, mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en I. Ilkinci, die fungeerde als tolk. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

25 maart 2003 tot toekenning van een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de arbeids-ongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, met ingang van 1 oktober 2002, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij zij (kort samengevat en voor zover van belang) heeft overwogen dat uit de onderzoeken van beide verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de mogelijkheden van appellant te komen en dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Zij heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat en dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd om nader onderzoek te verrichten naar de beperkingen van appellant. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant toegelicht dat de rugklachten van appellant sinds oktober 2002 onveranderd zijn, hetgeen blijkt uit de in hoger beroep ingezonden MRI-uitslagen gedateerd 4 november 2004 en 12 oktober 2006 en de brieven van de Spoedeisende Hulp van het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam van 19 mei 2005 en van anesthesioloog P. Borgdorff van het Diakonessenhuis te Utrecht van 30 mei 2005. Voorts heeft hij aangegeven dat er momenteel een second opinion-onderzoek loopt bij het AMC, waarin appellant gesteund wordt door zijn huisarts. Het verzoek van appellant is dan ook dat de Raad ofwel een deskundige benoemt om de rugklachten van appellant te beoordelen, hetgeen, na zoveel jaren, zinvol is aangezien de rugproblematiek sinds 2002 onveranderd is, ofwel de zaak aanhoudt totdat de uitkomst van het second opinion-onderzoek bekend zal zijn.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en overweegt hiertoe het volgende. De verzekeringsarts heeft appellant op 12 juli 2002 gezien en onderzocht, de bezwaarverzekerings-arts heeft, naar aanleiding van de informatie van de huisarts R.J. Hart de Ruyter van 27 juni 2003, in combinatie met de reeds bekende informatie van de behandelend neurochirurg van 16 augustus 2002 de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bijgesteld. Appellant heeft geen nieuwe, medische informatie ingediend die, met betrekking tot de datum in geding,

1 oktober 2002, twijfel oproept bij de Raad aan de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML. Wat betreft de psychische klachten van appellant wijst de Raad erop dat, gelet op de in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelende psycholoog en psychiater, appellant pas sinds februari 2006 bij hen onder behandeling is. Mede gelet op de toelichting van de gemachtigde ter zitting van de Raad, dat de psyschische problemen pas later, in 2006, op de voorgrond zijn getreden, geven deze brieven de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Het feit dat er momenteel een second-opiniononderzoek loopt naar de (behandeling van de) rugproblematiek van appellant geeft de Raad evenmin aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde FML. Niet is gebleken dat dit onderzoek zich richt op de datum in geding. Evenmin is aannemelijk geworden dat er een gerede kans bestaat dat dit onderzoek voor de in geding zijnde beoordeling anderszins relevante informatie oplevert. De Raad ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding tot heropening van het onderzoek ten einde het resultaat van het second opinion-onderzoek in de procedure te kunnen betrekken noch tot benoeming van een deskundige.

De Raad is tenslotte van oordeel dat niet is kunnen blijken dat appellant, met inachtneming van de voor hem vastgestelde functionele mogelijkheden, de geselecteerde functies niet kan verrichten.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.