Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
04-5918 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5918 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2004, 04/262 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 5 januari 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit tot herziening en nadere vaststelling van haar uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de arbeids-ongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% per 12 augustus 2003 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat per 12 augustus 2003 de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar de klasse van 65 tot 80% en per 5 februari 2004 wordt beëindigd omdat appellante per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onvolledig of onzorgvuldig geweest zou zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellante met ingang van 5 februari 2004 in staat moest worden geacht om de haar voorgehouden functies gedurende 27,5 uur per week te vervullen en dat de theoretische schatting resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 5,84%.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er sprake is van ernstig psychisch lijden naast het uitvoerig lichamelijk klachten- en beperkingenpatroon. Er is geen sprake van duurzaam benutbare mogelijkheden tot arbeid en appellante is volledig beperkt in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij overgelegd een brief van 6 januari 2005 van een intaker van “Psychiatrie AMC/De Meren” waaruit blijkt dat appellante op 8 december 2004 een intake-gesprek heeft gehad en dat de voorlopige diagnose luidt: ongedifferentieerde somatoforme stoornis, cafeïne en nicotine afhankelijkheid en mogelijk verlate posttraumatische stress-stoornis.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift onder verwijzing naar de bijgevoegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg van 26 januari 2005 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Vervolgens heeft het Uwv een nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes gedateerd 9 maart 2005 ingediend, waarbij wordt aangegeven dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functie van samensteller metaalwaren bij nader inzien ongeschikt is voor appellante en dat de schatting bij nader inzien wordt gebaseerd op de functies van elektronica monteur, produktiemedewerker industrie en productiemedewerker textiel, hetgeen geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en overweegt hiertoe het volgende. De in hoger beroep ingediende grieven missen voldoende medische onderbouwing. Uit de overgelegde brief van een intaker van “Psychiatrie AMC/De Meren” valt niet op te maken dat er sprake is van een - door de verzekeringsartsen miskende - situatie waarin appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft of van een situatie van dermate ernstig psychisch lijden dat appellante niet in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Bovendien ziet de brief niet op de situatie op of omstreeks de datum in geding, te weten 5 februari 2004, maar op de situatie op 8 december 2004.

Voorts ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot twijfel aan de door het Uwv overgenomen medische beoordeling door de (bezwaar-) verzekeringsartsen en stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake.

De Raad is tenslotte van oordeel dat niet is kunnen blijken dat appellante, met inachtneming van de voor haar vastgestelde functionele mogelijkheden, de uiteindelijk geselecteerde functies niet kan verrichten.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.