Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
05/4964 AW en 05/6343 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bruto terugvordering van ten onrechte uitbetaalde suppletie. Bijzonder geval. (geen verzoek van) Vergoeding van kosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4964 en 05/6343 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Erasmus MC (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2005, 04/2687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 3 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden, gedateerd 20 oktober 2005.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op het nieuwe besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, verbonden aan Loyalis maatwerk-administraties BV. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.W.M. Roozeboom, advocaat te Schiedam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is per 1 oktober 2000 wegens ziekte gedeeltelijk ontslagen uit haar functie van medisch secretaresse bij het Academisch ziekenhuis Rotterdam.

Hoewel zij na haar ontslag in beginsel aanspraak kon maken op suppletie op grond van de Uitvoeringsregeling suppletie na ontslag wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid (hierna: Uitvoeringsregeling), kwam die suppletie vanwege de hoogte van haar inkomsten uit arbeid in combinatie met haar gedeeltelijke WAO-uitkering niet tot uitbetaling. In verband daarmee is eind 2000 overeengekomen dat betrokkene geen suppletiemaand-formulieren meer behoefde in te vullen.

1.2. Naar aanleiding van een in september 2003 ontvangen suppletiemaandformulier en mede omdat zij langdurig met vakantie zou gaan heeft betrokkene zowel telefonisch als bij aangetekend schrijven uiteengezet dat en waarom zij geen suppletiemaandformulieren behoefde in te vullen. Bij terugkeer van haar vakantie begin december 2003 bleek dat niettemin eind oktober 2003 toch suppletie was nabetaald vanaf 1 oktober 2000 en dat ook over de maand november 2003 suppletie was uitbetaald. Betrokkene heeft op 4 december 2003 onmiddellijk gevraagd op welke rekening zij de gedane betalingen kon terugstorten. Dit werd haar echter ten stelligste afgeraden omdat er nog geen vordering openstond en er dus geen terugboeking kon plaatsvinden; begin januari 2004 zou het in orde worden gemaakt. Ook over december 2003 is nog suppletie betaald. In totaal heeft betrokkene € 21.309,44 netto ontvangen.

1.3. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft appellant € 32.898,74 van betrokkene terug-gevorderd wegens abusievelijk nabetaalde suppletie die zij niet vóór 31 december 2003 heeft teruggestort, waardoor er een bruto vordering is ontstaan. Daarbij is overwogen dat dit bedrag voor een deel bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen die aan de belastingdienst zijn afgedragen. Betrokkene is er op gewezen dat zij het bedrag dat zij bruto terugbetaalt bij haar aangifte over 2004 kan opgeven als negatief loon.

In een brief van 19 februari 2004 is aangekondigd dat het bedrag met ingang van augustus 2004 in 65 maandelijkse termijnen van € 500,- bruto en een slottermijn van € 398,74 zal worden verrekend.

1.4. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, met name tegen de brutering van de vordering, omdat zij het ten onrechte betaalde in december 2003 had willen terug-storten maar daartoe niet in de gelegenheid is gesteld.

Appellant heeft dit bezwaar bij het bestreden besluit van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de motiveringsplicht, het ontbreken van een belangenafweging en strijd met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij de negatieve financiële gevolgen voor betrokkene worden vergoed. Betrokkene zal daartoe in de gelegenheid moeten worden gesteld de schadebedragen over te leggen en appellant zal alle kosten die betrokkene heeft moeten maken na uitvoering van de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets dienen te vergoeden. De rechtbank heeft tevens bepaald dat aan betrokkene het griffierecht van € 37,- en de proceskosten van € 644,- moeten worden vergoed.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het onverschuldigd uitbetaalde netto-bedrag terecht is gebruteerd. Daarbij is overwogen dat de uitvoeringsinstelling op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 verplicht is over te gaan tot brutering van een netto vordering op het tijdstip dat het fiscale kalenderjaar is afgesloten en dat door de uitvoeringsinstelling gemaakte fouten geen dringende reden opleveren de terugvordering te matigen dan wel van terugvordering af te zien. Wel kan betrokkene te zijner tijd een onderbouwde claim tot vergoeding van fiscale schade en rentederving indienen. Appellant heeft zich verzet tegen de door de rechtbank opgedragen nadeel-compensatie, omdat de fiscale gevolgen van bruto invordering niet kunnen worden aangemerkt als nadelige gevolgen die appellant dient te compenseren.

Verder heeft appellant aangevoerd dat vergoeding van proceskosten in bezwaar pas aan de orde is als daar tijdig om wordt verzocht én het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4. Na afwijzing van het verzoek om de aangevallen uitspraak te schorsen heeft appellant op 20 oktober 2005 een nieuw besluit genomen en het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat er geen grond is voor vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaarschrift, omdat het verzoek daartoe niet is ingediend voordat op het bezwaar was beslist. Ook overigens bestaat daartoe geen aanleiding, omdat de bestreden beslissing volgens appellant in stand dient te blijven. Wel is appellant bereid financiële schade waaronder belastingschade en onderzoekskosten tot een totaalbedrag van € 2.929,15 te vergoeden en heeft appellant aangeboden gederfde rente te vergoeden.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Met betrekking tot de eerste grief van appellant stelt de Raad voorop dat hij niet het standpunt onderschrijft dat uit de Wet op de loonbelasting 1964 voortvloeit dat appellant verplicht is over te gaan tot brutering van een netto vordering op het tijdstip dat het fiscale kalenderjaar is afgesloten. Appellant heeft de bepaling(en) waaruit dit zou blijken niet kunnen noemen en ook de Raad heeft in de Wet op de loonbelasting geen bepalingen over terugvordering van ten onrechte betaald loon kunnen vinden.

Niettemin heeft de Raad in vaste jurisprudentie aanvaard (zie CRvB 24 oktober 1996, LJN ZB6391 en TAR 1997, 17) dat terugvordering in gevallen waarin als gevolg van het verstreken zijn van het kalenderjaar waarin de onverschuldigde uitbetaling heeft plaatsgevonden, het bestuursorgaan niet meer in staat is de ingehouden en aan de belastingdienst afgedragen loonheffing met de belastingdienst te verrekenen, in het algemeen bruto kan plaatsvinden.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellant daartoe ook in het onderhavige geval heeft kunnen besluiten.

5.2. De toegepaste Uitvoeringsregeling bevat geen bepalingen met betrekking tot terugvordering van ten onrechte betaalde suppletie. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad - onder meer CRvB 19 februari 2004, TAR 2004, 63 en CRvB 7 september 2006, LJN AY8132 en TAR 2006, 191- is een bestuursorgaan, ook wanneer in de desbetreffende regeling een uitdrukkelijke bepaling omtrent terugvorderen ontbreekt, niettemin op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd om hetgeen in het kader van een rechtsbetrekking met een ambtenaar of een gewezen ambtenaar onverschuldigd is betaald, geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, tenzij algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten. Dat appellant gehouden zou zijn om onverschuldigd betaalde suppletie terug te vorderen, dat hij daarvan slechts kan afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, en dat fouten van het uitvoeringsorgaan niet beschouwd kunnen worden als dringende reden, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, is derhalve niet juist. De door de Raad in zijn vaste jurisprudentie aangenomen terugvorderingsbevoegdheid is van discretionaire aard en het gebruik ervan dient door de Raad terughoudend te worden getoetst.

5.3. De Raad is van oordeel dat gelet op de onder 1.1. en 1.2. weergegeven feiten, waarvan de juistheid door appellant niet wordt betwist, zich hier een bijzonder geval voordoet waarin appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de in 2003 onverschuldigd betaalde suppletie in 2004 geheel en bruto van betrokkene terug te vorderen. Betrokkene heeft er immers tijdig alles aan gedaan om de door appellant gemaakte fout te voorkomen en nadat deze toch gemaakt was, deze door onmiddellijke terugbetaling te herstellen. Het was appellant die haar daarvan heeft weerhouden onder de toezegging dat de gemaakte fout bij de jaaropgave zou worden rechtgetrokken, welke belofte echter niet werd nagekomen.

Het hoger beroep van appellant kan in zoverre niet slagen.

5.4. De grief van appellant tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de kosten van bezwaar slaagt wel. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende. Een dergelijk verzoek heeft belanghebbende voorafgaand aan het bestreden besluit van 23 juli 2004 niet gedaan. Slechts in het kader van de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar van 20 oktober 2005 kan van een verzoek om vergoeding van kosten worden uitgegaan en over die kosten heeft appellant ook beslist in laatstgenoemd besluit. Voorts overweegt de Raad dat, voor zover uit de uitspraak van de rechtbank moet worden begrepen dat de rechtbank appellant heeft opgedragen om de kosten voor rechtsbijstand integraal te vergoeden - de aangevallen uitspraak is op dat punt niet expliciet - een dergelijke proceskostenveroordeling in strijd zou komen met artikel 8:75 van de Awb en het op dat artikel berustende Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.5. Met betrekking tot het besluit van 20 oktober 2005 dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen overweegt de Raad dat appellant met dit besluit niet aan de bezwaren van betrokkene tegemoet is gekomen, zodat het geding bij de Raad mede op dit besluit betrekking heeft. Gezien hetgeen de Raad onder 5.3. heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat ook dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

5.6. Ter beëindiging van het tussen partijen bestaande geschil en in aanmerking genomen dat sinds augustus 2004 een verrekeningstraject is ingezet, waarbij maandelijks € 500,- bruto wordt verrekend, komt het de Raad geraden voor dit bruto verrekeningstraject niet te doorkruisen, maar te bepalen dat betrokkene tegemoet wordt gekomen door middel van een matiging van het bruto terug te vorderen bedrag. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval stelt de Raad dit bruto terug te vorderen bedrag met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb vast op € 15.000,-. De Raad merkt hierbij op dat bij deze matiging nog blijft gelden hetgeen appellant in het beroepschrift en in het besluit van 20 oktober 2005 heeft aangeboden, te weten dat betrokkene te zijner tijd eventuele rentederving zal worden vergoed. Daarnaast dient aan betrokkene de belastingschade te worden vergoed.

6. De Raad ziet aanleiding met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb, in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht, appellant te veroordelen in de kosten in bezwaar van betrokkene ter zake van het besluit van 20 oktober 2005 ten bedrage van € 817,15, alsmede in de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van

€ 805,-.

7. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord, geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 juli 2004;

Vernietigt het besluit van 20 oktober 2005;

Stelt het terug te vorderen bedrag vast op € 15.000,- bruto;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 23 juli 2004;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-, in bezwaar tot een bedrag van € 817,15 en in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, derhalve een totaalbedrag van € 2.266,15, te betalen door het Erasmus MC;

Draagt het Erasmus MC op om te gelegener tijd de fiscale schade en rentederving aan betrokkene te vergoeden;

Bepaalt dat het Erasmus MC het door betrokkene in eerste aanleg betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

19.04

Q