Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
05-3904 WAO + 05-7118 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Nader besluit. Renteschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3904 + 05/7118 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 mei 2005, 04/680 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 november 2005 heeft het Uwv een besluit van diezelfde datum ter kennis van de Raad gebracht.

Bij brief van 13 december 2005 heeft mr. Van Dijk op de inhoud van het besluit van 11 november 2005 een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Martens.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 19 mei 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 24 oktober 2003, waarbij appellant met ingang van 27 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd, omdat het Uwv hem met ingang van laatstgenoemde datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt achtte.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat appellants belastbaarheid juist is vastgesteld door het Uwv en dat vier van de zes oorspronkelijk geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Voorts heeft de rechtbank een grief van appellant met betrekking tot het maatmaninkomen verworpen.

In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald.

In het in rubriek I vermelde besluit van 11 november 2005 is het Uwv alsnog tegemoet gekomen aan appellants grief met betrekking tot het maatmaninkomen. Uitgaande van het door appellant berekende maatmaninkomen, afgezet tegen de verdiencapaciteit in de functies die zijn geselecteerd, wordt appellant met ingang van 27 oktober 2003 alsnog voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt beschouwd.

Bij het besluit van 11 november 2005 zijn appellants bezwaren tegen het besluit van 24 oktober 2003 daarom gedeeltelijk gegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten appellant alsnog met ingang van 27 oktober 2003 een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en een dagloon van € 143,44, toe te kennen.

Bij brief van 13 december 2005 heeft mr. Van Dijk laten weten dat appellant zijn grieven tegen de vaststelling van de belastbaarheid niet langer handhaaft. Voorts zijn geen grieven aangevoerd tegen de vaststelling van het maatmaninkomen en het dagloon.

Wel handhaaft appellant zijn grieven tegen drie van de vier resterende, geselecteerde functies. Appellant is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom die functies voor hem geschikt zijn op de datum in geding, zodat het besluit van 11 november 2005 op die grond niet in stand kan blijven.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of het beroep van appellant ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 november 2005.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend nu het besluit van 11 november 2005 naar grondslag en reikwijdte strekt tot wijziging of intrekking van het bestreden besluit en het eerstgenoemde besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt.

Met het besluit van 11 november 2005 heeft het Uwv te kennen gegeven het in het bestreden besluit ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Hierdoor kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

In dit geval heeft mr. Van Dijk in zijn hoger beroepschrift een dergelijk verzoek gedaan, zodat het procesbelang niet is komen te vervallen.

Nu de schatting die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op loonkundige gronden ondeugdelijk is gebleken, zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigen wegens strijd met artikel 18 van de WAO.

Met betrekking tot het besluit van 11 november 2005 oordeelt de Raad als volgt.

Aan de schatting ligt thans ten grondslag de conclusie van het Uwv dat appellant geschikt is voor vier geselecteerde functies, waarvan de eerste drie geselecteerde, afzonderlijk en tezamen, al voldoende arbeidsplaatsen omvatten om de schatting te kunnen dragen.

Het gaat om de functies:

1. SBC-code 111220 magazijnmedewerker

2. SBC-code 342023 surveillant bewakingsdienst

3. SBC-code 111180 productiemedewerker industrie.

De mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in deze drie functies zijn aan de orde geweest in een rapportage van 11 mei 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens, die deze functies aan de hand van de door de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen aangescherpte Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opnieuw heeft beoordeeld en in het kader van die beoordeling overleg heeft gevoerd met genoemde bezwaarverzekeringsarts.

Tegen de tweede functie heeft mr. Van Dijk in zijn brief van 13 december 2005 geen bezwaar gemaakt en de Raad is ook overigens niet gebleken dat die functie niet geschikt zou zijn voor appellant.

Tegen de functie productiemedewerker industrie, in dit geval monteur transformatoren, heeft mr. Van Dijk als bezwaar aangevoerd dat uit de functiebeschrijving niet zou blijken dat blootstelling aan soldeerdampen slechts gering zou zijn.

Uit de functiebeschrijving blijkt duidelijk dat het solderen van aansluitingen aan transformatoren slechts een van de vele bewerkingen aan transformatoren is en dat behalve met de soldeerbout ook met heel veel andere, met name genoemde, gereedschappen moet worden gewerkt.

Daarom acht de Raad de toelichting die de bezwaararbeidsdeskundige Meertens heeft gegeven, te weten dat soldeerdampen niet voortdurend aanwezig zijn en dat er geen sprake is van een omgeving met veel prikkelende dampen of gassen duidelijk, plausibel en ook voldoende transparant.

Wat betreft de functie magazijnmedewerker overweegt de Raad dat uit de FML blijkt dat appellant een uur achtereen kan zitten, dat hij zo nodig het grootste deel van de werkdag kan zitten en in elk geval 3 tot 4 uur van de werkdag zittend werk moet hebben. Wat betreft het staan geldt dat appellant volgens de FML een half uur achtereen kan staan en dat hij zonodig gedurende de helft van de werkdag kan staan. Wat betreft het lopen kan appellant een half uur achtereen lopen en is lopen gedurende de helft van de werkdag mogelijk.

Uit de functieomschrijving van de magazijnmedewerker blijkt dat dagelijks niet meer dan 3 uur wordt gezeten en dat zitten twee keer per werkdag ten hoogste 10 minuten aaneengesloten voorkomt.

Voorts blijkt dat dagelijks niet meer dan ongeveer 4 uur behoeft te worden gestaan en dat staan twee keer per werkdag gedurende ten hoogste 15 minuten aaneengesloten voorkomt.

Het lopen komt dagelijks slechts een uur voor en per werkdag moet tien keer 1 minuut aangesloten worden gelopen.

De Raad is van oordeel dat de toelichting die de bezwaararbeidsdeskundige Meertens in zijn rapport van 11 mei 2004 heeft gegeven en die erop neerkomt dat de bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen het zitten nog wel toelaatbaar vond gezien de afwisseling in de functie, voldoende plausibel is.

De Raad stelt vast dat via genoemde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Meertens de schatting een toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid heeft verkregen en dat de bij brief van 12 maart 2007 gegeven toelichting op dit punt niets toevoegt.

De Raad is daarom van oordeel dat het besluit van 11 november 2005 in stand kan blijven.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb in verband met geleden renteschade te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 805,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 november 2005 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.J. Janssen.

TM