Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
06-1374 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. De Raad heeft meermalen geoordeeld dat hij is gehouden tot beslechting van concrete en actuele geschillen, en niet tot het beantwoorden van louter principiële vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1374 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2006, 05/2058 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluiten van 4 november 2002 en 18 november 2002 heeft het College appellant bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 respectievelijk voor de voorziening in bedrijfskapitaal, één en ander op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) in verband met een door appellant te starten bedrijf.

Op 13 juni 2003 heeft appellant het College verzocht om voortzetting van de bijstand aan hem als zelfstandige voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vanaf 1 mei 2003.

Appellant heeft zijn bedrijf op 17 september 2003 beëindigd. Het College heeft appellant met ingang van die datum bijstand om niet ingevolge de Abw toegekend.

Bij besluit van 16 januari 2004 heeft het College het verzoek van appellant om bijstand met ingang van 1 mei 2003 afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is.

Bij besluit van 6 mei 2004 heeft het College de aan appellant als bedrijfskapitaal verstrekte lening voor een gedeelte renteloos gemaakt en het resterende deel van de lening (inclusief de achterstallige rente) van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 7 april 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 16 januari 2004 en 6 mei 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 april 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen - voor zover in dit geding van belang - dat het College zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf van appellant met ingang van 1 mei 2003 onvoldoende levensvatbaar was.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Bij het aanvullend hoger beroepschrift van appellant zijn gevoegd twee besluiten van het College van 31 maart 2006, waarbij - zo begrijpt de Raad deze besluiten - de aan appellant over de periode 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 toegekende bijstand vanwege het slechte financiële resultaat van het bedrijf van appellant wordt omgezet in bijstand om niet, en voorts aan appellant over de periode van 1 mei 2003 tot en met 16 september 2003 algemene bijstand (om niet) wordt toegekend.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bericht dat de besluiten van 31 maart 2006 onherroepelijk zijn geworden en dat het hoger beroep slechts wordt gehandhaafd voor zover dit betreft de grief tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant met ingang van 1 mei 2003.

De Raad komt, zich beperkend tot de zojuist genoemde grief, tot de volgende beoordeling.

Met zijn verzoek van 13 juni 2003 beoogde appellant voortzetting van de verlening van de algemene bijstand (in de vorm van een geldlening) met ingang van 1 mei 2003. In dit geding staat inmiddels vast dat het College bij besluit van 31 maart 2006 aan appellant over de periode van 1 mei 2003 tot en met 16 september 2003 algemene bijstand (om niet) heeft verleend naar de voor hem toepasselijke bijstandsnorm. Eveneens staat vast dat aan appellant aansluitend, met ingang van de datum van beëindiging van zijn bedrijf (17 september 2003) eveneens algemene bijstand is verleend. Gelet daarop is de Raad van oordeel dat appellant geen rechtens te respecteren, tot zijn persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het hier aan de orde zijnde onderdeel van het besluit van het College van 7 april 2005. Nu appellant ook niet heeft verzocht om veroordeling van het College tot schadevergoeding, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig.

Gelet op het voorgaande heeft beantwoording van de vraag of het College al dan niet terecht heeft geoordeeld dat het bedrijf van appellant per 1 mei 2003 niet levensvatbaar is, alleen nog principiële betekenis. De Raad heeft meermalen geoordeeld dat hij is gehouden tot beslechting van concrete en actuele geschillen, en niet tot het beantwoorden van louter principiële vragen.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jörg.

EK0504