Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
05-2559 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzending van ziekmeldingen per fax. Risico voor verzender. Te late ziekmelding. Loondoorbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2559 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 1 april 2005, 04/195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mevrouw [werkneemster] heeft schriftelijk meegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft zij geen toestemming gegeven haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bedrijfsjurist

[bedrijfsjurist] en door mr. L.A.J.M. Walta, werkzaam voor ArboNed.

Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn besluit van 16 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv een eerder besluit van 3 november 2003 gehandhaafd, waarin is beslist dat de aan mevrouw [werkneemster] (hierna: de werkneemster) toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) niet wordt uitbetaald over de periode van 29 december 2003 tot 24 juni 2004. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 7:629, eerste en elfde lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek, over dit tijdvak van 178 dagen voor appellante een verlengde loondoorbetalingsverplichting geldt, omdat de melding van appellante aan het Uwv dat de werkneemster dertien weken arbeidsongeschikt was heeft plaatsgevonden met een vertraging van 178 dagen. Uiterlijk op 30 maart 2003 had deze melding moeten zijn ontvangen; zij is echter pas op 24 september 2003 ontvangen. Op grond van artikel 43d van de WAO vindt over het verlengde tijdvak van loondoorbetaling geen betaling van WAO-uitkering plaats.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Zij bestrijdt dat zij de zogeheten 13e weeks melding te laat heeft gedaan. Volgens appellante heeft de melding namens haar plaats gevonden door ArboNed per faxbericht van

12 maart 2003. ArboNed heeft tegelijk de meldingen met betrekking tot drie werknemers aan het Uwv gestuurd. Het verzendjournaal voor deze drie meldingen heeft de status “OK”. Nu het Uwv erkent twee van de drie meldingen te hebben ontvangen, maar niet die van de werkneemster van appelante, moet er een fout zijn gemaakt bij het Uwv. De ziekmeldingen komen automatisch uit het systeem van ArboNed naar boven en de melding met betrekking tot deze werkneemster was bij ArboNed evenals de twee andere meldingen vastgehecht aan de interne faxprints. Tussen Uwv en ArboNed is afgesproken dat de 13e weeks meldingen per fax kunnen worden verstuurd omdat een verzending per aangetekende post gezien het grote aantal meldingen niet doenlijk is.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Appellante kan zich niet met die uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft zij haar standpunt herhaald en daar nog aan toegevoegd dat een onomstotelijk bewijs van verzending van de melding niet van haar gevraagd kan worden. Zij heeft naar haar mening de verzending echter wel voldoende aannemelijk gemaakt.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv betoogd dat het besluit van

3 november 2003, waartegen appellante bij brief van 20 november 2003 bezwaar heeft gemaakt, niet op rechtsgevolg was gericht, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het Uwv heeft namelijk al op 24 september 2003 een brief aan appellante toegezonden waarin haar is voorgehouden dat zij al 178 dagen te laat was met het doen van een ziekmelding en waarin werd gewezen op de gevolgen van de verlengde loondoorbetalingsverplichting voor de uitbetaling van de WAO-uitkering als deze aan de werkneemster wordt toegekend. Tegen die brief heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Subsidiair handhaaft het Uwv het eerder ingenomen standpunt.

Het door het Uwv op een wel uitermate laat tijdstip ingenomen standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar kan de Raad niet volgen. De brief van

24 september 2003 moet worden aangemerkt als een informatieve brief, gericht op de toekomst, waarmee geen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. In de brief wordt immers gesteld: “Wij ontvingen de ziekte-aangifte nog niet, hetgeen op heden 178 dag(en) te laat is”. Dit kan niet anders worden gezien dan als een waarschuwing aan appellante om de vertraging niet verder op te laten lopen. Op 24 september 2003 stond nog niet vast of de werkneemster een WAO-uitkering zou worden toegekend en de passage omtrent het niet uitbetalen van de uitkering is dan ook in voorwaardelijke vorm gesteld. Niet kan worden gezegd dat het hier gaat om een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vaststaat voorts dat appellante tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van

3 november 2003. Het bezwaar was dus ontvankelijk.

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak kan de Raad zich geheel verenigen met de aangevallen uitspraak waarin onder meer het volgende is overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder.

“Volgens bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep komen de risico’s die zijn verbonden aan het verzenden per fax, hetgeen op zichzelf een toelaatbare wijze van verzending is, in beginsel voor rekening van de verzender. Het ligt hierbij op de weg van de verzender om de verzending aannemelijk te maken. Het verzendcontrolerapport en het faxjournaal geven weliswaar een indicatie van ontvangst, maar vormen geen sluitend bewijs. (….). De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, althans ArboNed, op 12 maart 2003 de 13e weeks melding ten aanzien van [werkneemster] per fax aan verweerder heeft verzonden. Nu uit het door eiseres overgelegde faxjournaal niet blijkt wat de inhoud is van de drie op 12 maart 2003 verzonden faxen, is naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk vast komen te staan dat het hierbij eveneens vorenbedoelde melding betrof. Nu verweerder, ondanks zorgvuldig onderzoek – door na te gaan of in dossiers waarin op 12 maart 2003 wèl een ziektemelding is ontvangen wellicht de melding met betrekking tot

[werkneemster] is terechtgekomen – de ontvangst van de melding niet kan bevestigen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat de fax daadwerkelijk door verweerder is ontvangen.”

De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.

De keuze van appellante en ArboNed om ziekmeldingen per fax te verzenden is begrijpelijk, bezien vanuit het oogpunt van eenvoud en kostenbesparing. De daaraan verbonden risico’s zijn echter voor appellante als verzender, gelijk de Raad al meermalen heeft overwogen, bij voorbeeld in zijn uitspraak van 3 april 2003, LJN:AF7302. De omstandigheid dat het Uwv verzending van ziekmeldingen per fax accepteert doet daar niet aan af. Appellante had het risico ook kunnen beperken, bijvoorbeeld door de ziekmeldingen per gewone post na te zenden of het faxsysteem zodanig in te richten dat daaruit ook blijkt welke stukken er zijn verzonden.

Appellante heeft ook naar het oordeel van de Raad niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat de ziekmelding van de betrokken werkneemster door het Uwv is ontvangen. Daarom slaagt het hoger beroep niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) M. Gunter

MK