Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
05-2198 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2198 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 maart 2005, 04/278 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J.H. Habers, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2007. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde, mr. Habers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als offsetdrukker voor 38 uur per week toen hij zich per

22 april 2002 ziek meldde in verband met psychomentale klachten en nekklachten.

Op 18 februari 2003 heeft de verzekeringsarts P.A.J.M. Lieven appellant onderzocht naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In het door Lieven op dezelfde dag uitgebrachte rapport is vermeld dat appellant dertien jaar geleden een auto-ongeval heeft gehad, waarbij hij hersenletsel heeft opgelopen. Op basis van zijn onderzoek heeft Lieven geconcludeerd dat appellant in werksituaties gebaat is bij structuur en dat deadlines, productiepieken en een hoog werktempo vermeden moeten worden. Lieven heeft de voor appellant vastgestelde beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 18 februari 2003.

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige L.F.M. Morsink functies voor appellant geselecteerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Op 24 maart 2003 heeft Morsink gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 15% moet worden gesteld.

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen in aansluiting op de tot en met 20 april 2003 lopende wachttijd van 52 weken.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts E. Khoe heeft appellant op 22 augustus 2003 op de hoorzitting gezien. Hij heeft vervolgens informatie ingewonnen bij de bedrijfsarts G.E. Koch-van der Schaaf. Bij brief van

4 september 2003 heeft deze arts haar bevindingen van een onderzoek op

19 september 2002 meegedeeld. Voorts heeft zij aangegeven dat appellant is toegelaten tot de personenkring van de Wet sociale werkvoorziening (WSW).

Khoe heeft daarnaast aanleiding gezien om de neuropsycholoog E. van der Scheer een expertiseonderzoek te laten verrichten. Van der Scheer heeft appellant op 8 oktober 2003 onderzocht en heeft op 4 november 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer aangegeven dat vanwege een geconstateerde traagheid van cognitieve processen en een stoornis in de verdeelde aandacht met name situaties die worden gekenmerkt door drukte en situaties waarbij de aandacht over verschillende informatiebronnen tegelijkertijd moet worden verdeeld, extra mentale energie van appellant vergen. Voorts heeft Van der Scheer vermeld dat appellant beperkt is met betrekking tot piekbelastingen en het verrichten van mentaal gerelateerde duurbelasting. Ook heeft Van der Scheer aangegeven dat het leervermogen van appellant is afgenomen ten opzichte van een in 1992 uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek. Volgens Van der Scheer heeft appellant vergeleken met leeftijdsgenoten meer tijd nodig voor het verwerven van nieuwe informatie en kennis. Van der Scheer heeft de aanbeveling gegeven om vanuit preventief oogpunt de huidige arbeidssituatie van appellant - werkzaamheden als drukker in het kader van de WSW-dienstverband - te bestendigen.

Op 25 november 2003 heeft Khoe gerapporteerd dat op basis van het rapport van

Van der Scheer niet kan worden geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor het verrichten van arbeid in het vrije bedrijfsleven. Volgens Khoe geldt wel dat de door

Van der Scheer aangegeven medische beperkingen moeten worden overgenomen. Khoe heeft daarom de FML op diverse punten aangepast.

Hierna heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.J.A. Smelt op 19 december 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat een aantal van de aan appellant voorgehouden functies in verband met de aangepaste belastbaarheid niet langer geschikt kan worden geacht. Volgens Smelt blijft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de resterende functies evenwel minder dan 15%.

Bij besluit van 7 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat met de aanscherping van de FML voldoende is tegemoet gekomen aan de bij appellant bestaande medische beperkingen. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 15% is gesteld.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat ook de in de bezwaarfase aangepaste FML onvoldoende tegemoet komt aan de medische beperkingen die hij ondervindt. Hierbij heeft hij erop gewezen dat de neuropsycholoog Van der Scheer het wenselijk heeft geacht dat zijn WSW-dienstverband wordt gecontinueerd. Volgens appellant zijn de aan hem voorgehouden functies ongeschikt vanwege de mentale belasting en de gestelde opleidingseisen.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische beperkingen van appellant juist zijn ingeschat. De bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee heeft bij rapport van

5 december 2005 de geschiktheid van de geselecteerde functies nader toegelicht. Hierbij is aangegeven dat de functies in sbc-code 267010 - elektromonteur bij nader inzien niet geschikt kunnen worden geacht voor appellant, maar dat in de plaats hiervan een tweetal functies binnen de sbc-code 264090 - plaatwerker aan hem kunnen worden voorgehouden. Volgens Van Rhee blijft de mate van arbeidsongeschiktheid hiermee onveranderd minder dan 15%. Op verzoek van de Raad heeft Van Rhee bij rapport van

23 februari 2006 (lees: 2007) een aanvullende toelichting gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies.

De Raad overweegt als volgt.

In het kader van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is appellant onderzocht door de primaire verzekeringsarts Lieven. In de bezwaarfase is door de neuropsycholoog Van der Scheer een expertiseonderzoek verricht en is informatie ingewonnen bij de bedrijfsarts Koch-van der Schaaf. De Raad is van oordeel dat hiermee het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts Khoe heeft de door Van der Scheer aangegeven medische beperkingen overgenomen en verwerkt in een aangepaste FML. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de aldus door Khoe aangenomen medische beperkingen. Hierbij is de Raad van oordeel dat uit de opmerking van Van der Scheer dat bestendiging van het huidige WSW-dienstverband de voorkeur geniet, niet volgt dat appellant uitsluitend geschikt kan worden geacht voor arbeid in WSW-verband.

De schatting berust uiteindelijk op de functies binnen de sbc-codes die zijn vermeld in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee van 5 december 2005. Bij dit rapport is de geschiktheid van deze functies nader toegelicht. Bij rapport van 23 februari 2007 heeft Van Rhee een aanvullende toelichting gegeven, waarbij nader is ingegaan op de geschiktheid wat betreft de aspecten werken in drukte, langdurige mentale belasting en het verwerven van nieuwe kennis en informatie. Met deze rapporten is naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht dat de aan appellant uiteindelijk voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt kunnen worden geacht en dat appellant voldoet aan de voor deze functies gestelde opleidingseisen. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

Eerst in hoger beroep is door het Uwv aan de hand van de genoemde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee voldoende inzichtelijk toegelicht dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Gezien de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluiten, dient het bestreden besluit, dat is genomen vóór 1 juli 2005, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

MK