Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
06-6048 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen termijnoverschrijding indienen beroep. Herhaalde aanvraag: Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6048 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 augustus 2006, 05/1901 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde A.J. Izeboud. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is werkzaam geweest als frontofficemedewerkster voor de gemeente Hilversum. Op 10 april 2001 is zij uitgevallen met aan multiple sclerose gerelateerde gezondheidsklachten. Bij besluit van 6 mei 2002 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 9 april 2002 een uitkering toe te kennen, op de grond dat appellante de wachttijd niet heeft volgemaakt. Tegen dit besluit is door de gemeente Hilversum bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 3 december 2002 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend, zodat de besluiten van 6 mei 2002 en 3 december 2002 in rechte onaantastbaar geworden zijn.

Bij formulier van 9 juli 2004 heeft appellante, vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW), opnieuw een uitkering aangevraagd op grond van de WAO. Daartoe heeft zij gesteld dat zij al vanaf april 2001 op medische gronden arbeidsongeschikt is vanwege de multiple sclerose waar zij aan lijdt.

Het Uwv heeft bij besluit van 8 oktober 2004 afwijzend beslist op voormelde aanvraag. Het hiertegen door appellante ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 7 juli 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is, onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overwogen dat appellante noch in haar aanvraag noch in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld op grond waarvan moet worden aangenomen dat het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 6 mei 2002 onjuist is.

Op 27 oktober 2005 is door de rechtbank Zwolle-Lelystad een brief van appellante ontvangen waarbij zij beroep instelt tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft appellante aangegeven dat zij niet eerder beroep heeft ingesteld, omdat zij - in vervolg op een telefonisch onderhoud met een medewerker van het Uwv - pas op 4 oktober 2005 een kopie ontvangen heeft van het bestreden besluit.

Ter zitting van de rechtbank is namens het Uwv verklaard dat het bestreden besluit niet per aangetekende post is verzonden en dat de verzending van dit besluit evenmin anderszins is geregistreerd.

Bij de aangevallen uitspraak is het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat - kort weergegeven - hoewel het bestreden besluit niet aangetekend is verzonden en het niet onaannemelijk is dat appellante het bestreden besluit niet (eerder dan op 4 oktober 2005) heeft ontvangen, er geen reden is om de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten, aangezien appellante niet binnen twee weken nadat zij alsnog bekend is geworden met de inhoud van het bestreden besluit een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft ter onderbouwing van dit oordeel verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 augustus 1997 (LJN AL0809).

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zij ervan uitging 6 weken te hebben voor het instellen van beroep. Voorts heeft zij aangegeven te lijden aan de progressieve ziekte multiple sclerose.

De Raad overweegt als volgt.

De beroepstermijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Bekendmaking van een besluit geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking aan de belanghebbende tot wie het is gericht.

In zijn rechtspraak heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat, in geval van toezending van een besluit, voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de beroepstermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) dient vast te staan dan wel aannemelijk dient te zijn gemaakt.

In het onderhavige geval is niet aannemelijk geworden dat het Uwv het bestreden besluit eerder dan begin oktober 2005 op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. Dit betekent dat appellante binnen 6 weken na die datum haar inleidende beroep diende in te stellen, hetgeen zij heeft gedaan. De rechtbank heeft derhalve bij de aangevallen uitspraak het inleidende beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte op de in die uitspraak gebezigde grond niet-ontvankelijk verklaard.

In het voorgaande ligt besloten dat het hoger beroep van appellante doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Vervolgens ligt in dit geding opnieuw de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit in rechte stand houdt.

De Raad beantwoordt deze rechtsvraag bevestigend. Daartoe is het volgende overwogen.

Bij besluit van 6 mei 2002 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar per 9 april 2002 een uitkering toe te kennen op grond van de WAO. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 9 juli 2004 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking als haar eerdere verzoek ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak opnieuw beoordeeld, hetgeen niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Echter, indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, dan opent dat niet de weg naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een zodanige wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het gebruikmaken van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot beantwoording van de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook een bestuurorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

Appellante heeft aan haar herhaalde aanvraag in hoofdzaak de stelling ten grondslag gelegd dat het verloop van de ziekte multiple sclerose onvoorspelbaar is en zij door deze ziekte ernstig beperkt is, dat het Uwv geen adequate actie heeft ondernomen om appellante op de arbeidsmarkt te reïntegreren en dat het Uwv sommige andere verzekerden met de ziekte multiple sclerose wel een uitkering toekent op grond van de WAO.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv, wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag, bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing kunnen komen. Daartoe is in aanmerking genomen dat appellante aan haar herhaalde aanvraag geen omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die de vaststelling van de mate van arbeids(on)geschiktheid kunnen beïnvloeden. Indien appellante alsnog de beschikking krijgt over objectieve medische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat haar beperkingen tengevolge van ziekte of gebrek (blijvend) zijn verergerd, staat het haar vrij om het Uwv opnieuw om een herbeoordeling te vragen.

Het vorenstaande betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de oorspronkelijke afwijzing terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de nieuwe aanvraag.

Derhalve moet het inleidende beroep van appellante ongegrond worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellante heeft gemaakt in hoger beroep. Deze kosten zijn forfaitair begroot op € 38,50 als reiskosten van de gemachtigde van appellante. Meer of andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn door appellante niet aannemelijk gemaakt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellante in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 38,50;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.). I.M.J. Hilhorst-Hagen

(get.). M.H.A. Uri

MK