Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
04-4325, 05-2829 en 05-4015 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde APPA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4325, 05/2829 en 05/4015 APPA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van het college van 5 juni 2003. De rechtbank Utrecht heeft zich bij uitspraak van 15 juli 2004 onbevoegd verklaard om van dit beroep kennis te nemen en heeft het beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de Raad (zaak 04/4325 APPA).

Namens appellant is voorts beroep ingesteld tegen het besluit van het college van

30 maart 2005 (zaak 05/2829 APPA).

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Tevens is namens appellant een beroepschrift ingediend tegen het besluit van het college van 26 mei 2005 (zaak 05/4015 APPA).

De Raad heeft genoemde zaken gevoegd behandeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006, zoals na aanhouding voortgezet op 22 maart 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat te De Meern, en A.G.M. van Rooijen, werkzaam bij de gemeente Montfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant is vanaf 1985 wethouder geweest van de gemeente Montfoort en is per

26 september 1995 als zodanig afgetreden. Ingaande deze datum is aan hem bij besluit van 15 september 1995 een recht op uitkering verleend ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Montfoort (hierna: verordening). In het eerste jaar bedroeg die uitkering 80%, in het tweede jaar 70% en vervolgens 60% van de laatstelijk als wethouder genoten wedde. Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de verordening is daarbij bepaald dat de uitkering zal worden voortgezet tot 22 juli 2010, zijnde het tijdstip waarop appellant de leeftijd van 65 jaar bereikt.

2. Het college heeft bij besluiten van 5 juni 2003 en 25 november 2004 vastgesteld dat aan appellant als gevolg van meerdere fouten te veel aan uitkering is betaald, waarbij tot terugvordering van het te veel betaalde is overgegaan. Op de bezwaren van appellant tegen die besluiten heeft het college bij besluit van 30 maart 2005 beslist. Bij besluit van 26 mei 2005 is het van appellant teruggevorderde bedrag op grond van een herberekening verlaagd.

3. Met betrekking tot hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

de zaak 04/4325 APPA

4.1. Bij besluit van 5 juni 2003 heeft het college vastgesteld dat appellant te veel aan uitkering heeft ontvangen, aangezien was nagelaten om, overeenkomstig de verordening, het uitkeringspercentage na het eerste uitkeringsjaar te verlagen van 80 naar 70. Het college heeft bij dat besluit gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het uitkerings-percentage ten gunste van appellant te herzien door dit na het tweede jaar te handhaven op 70. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel IV van de overgangsbepalingen bij de wijziging van artikel 143 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) per 25 maart 2000 (Stb. 2001, 365). Vervolgens heeft het college het bedrag vastgesteld dat appellant na het eerste uitkeringsjaar tot 1 mei 2003 te veel aan uitkering heeft ontvangen en bepaald dat over die periode een bedrag van € 18.205,87 zal worden teruggevorderd.

4.2. Appellant heeft bij schrijven van 7 juli 2003 tegen het besluit van 5 juni 2003 bezwaar gemaakt. Bij schrijven van 31 juli 2003 heeft het college hem onder meer bericht dat geconstateerd is dat de berekeningen correct zijn en dat het te veel uitbetaalde bedrag met de uitkering zal worden verrekend.

4.3. Appellant heeft op 5 april 2004 beroep ingesteld tegen de door hem aanwezig geachte weigering van het college om op zijn bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2003 te beslissen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zich naar aanleiding van zijn bezwaarschrift een correspondentie heeft ontwikkeld over de vraag of de korting op de uitkering en het verrekeningsbesluit al dan niet terecht en correct waren. Mede vanwege de omstandigheid dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden van de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften en geen advies is uitgebracht door deze commissie, alsook vanwege de omstandigheid dat het schrijven van 31 juli 2003 geen rechtsmiddelen-clausule bevat, heeft hij dat schrijven niet opgevat en volgens hem ook niet hoeven opvatten als een besluit op bezwaar.

4.4. De Raad kan deze opvatting van appellant onderschrijven. Naast de namens appellant aangedragen omstandigheden acht de Raad hiertoe in het bijzonder ook nog van belang de aan het slot van genoemd schrijven opgenomen mededeling dat het ging om informatieverstrekking.

4.5. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen is de Raad evenwel van oordeel dat appellant bij het ingestelde beroep geen processueel belang meer heeft, zodat dit beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

de zaak 05/2829 APPA

5.1. Bij besluit van 25 november 2004 heeft het college besloten dat over de periode die is gelegen vóór 1 juni 1998 geen terugvordering of verrekening zal plaatsvinden van te veel betaalde bedragen voor zover deze samenhangen met het hanteren van een onjuist uitkeringspercentage. Tevens is bij dit besluit bepaald dat vanaf 1 januari 2002 wel een (extra) bedrag van € 173,55 op de uitkering in mindering dient te worden gebracht vanwege neveninkomsten van appellant. Daarnaast is bij dit besluit vastgesteld dat vanaf 1 januari 2002 een onjuiste berekeningsbasis voor de uitkering is gehanteerd doordat niet is uitgegaan van de laatstgenoten wedde, maar van een hoger bedrag, en dat appellant hierdoor te veel aan uitkering heeft ontvangen. Besloten is over de periode vanaf

1 november 2002 een bedrag van € 11.073,03 terug te vorderen. In totaal is het terug te vorderen bedrag bepaald op € 27.423,51.

5.2. Appellants bezwaren tegen deze beslissingen zijn, voor zover hier van belang, bij het bestreden besluit van 30 maart 2005 ongegrond verklaard.

5.3. De Raad stelt voorop dat hij de in het besluit van 25 november 2004 opgenomen beslissing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, aangaande het terugbrengen van de periode waarover terugvordering plaatsvindt vanwege het verzuim om het uitkeringspercentage te verlagen naar 70, aanmerkt als een ambtshalve wijziging - ten gunste van appellant - van het hiervoor genoemde besluit van 5 juni 2003. Niet in geschil is dat die correctie van het uitkeringspercentage terecht heeft plaatsgevonden.

Wat betreft het rechtskarakter van deze aldus gewijzigde beslissing stelt de Raad verder vast dat het hier gaat om een besluit tot herstel als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de verordening. Er is immers sprake van het rechtzetten van een administratieve fout bij ter uitvoering van de verordening genomen betalingsbeslissingen die niet berust op een onjuistheid of wijziging van de onderliggende feiten.

5.4. Ingevolge artikel 73, vijfde lid, van de verordening leidt herstel van een beslissing na het verstrijken van een termijn van vier maanden slechts tot terugvordering of verrekening van de te veel betaalde pensioenbedragen indien de betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hem te veel werd uitbetaald. Blijkens de gedingstukken acht het college deze bepaling ook van toepassing op te veel betaalde uitkeringen.

5.5. Voorts voert het college bij de toepassing van deze bepaling - kennelijk in navolging van de door het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds bij de toepassing van gelijkluidende bepalingen in de voormalige Algemene burgerlijke pensioenwet gehanteerde, door deze Raad in zijn rechtspraak als niet onredelijk geoordeelde beleidslijn (CRvB 6 februari 1992, TAR 1992, 80) - het beleid dat hetgeen te veel aan pensioen of uitkering is uitbetaald in beginsel gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling kan worden teruggevorderd indien de betrokkene redelijkerwijs kon weten dat hij te veel ontving, en gedurende vijf jaren indien te veel is betaald door opzet of grove nalatigheid van de betrokkene. Het college staat op het standpunt dat appellant grove nalatigheid kan worden verweten omdat hij de desbetreffende fout, die hij redelijkerwijs kon onderkennen, niet heeft gemeld, hetgeen van hem vanwege zijn bijzondere status en zijn voorbeeldfunctie als gewezen wethouder verwacht had mogen worden.

5.6. De Raad acht, gelet op de centrale plaats van de artikelen 72 en 73 in de verordening alsmede op de interne samenhang van de onderdelen van die artikelen, die zijn ontleend aan de artikelen 122 en 123 van de Appa, niet voor twijfel vatbaar dat - hoewel daar alleen over te veel betaalde “pensioenbedragen” wordt gesproken - artikel 73, vijfde lid, van de verordening ook ziet op terugvordering van te veel betaalde uitkeringen.

5.7. Verder volgt de Raad het college in zoverre in zijn standpunt, dat appellant ook naar het oordeel van de Raad in dit geval redelijkerwijs had kunnen en moeten begrijpen dat hem te veel werd uitbetaald. Bij het toekenningsbesluit uit 1995 is schriftelijk aan hem medegedeeld dat de uitkering na een jaar verlaagd zou worden naar 70% van de laatstelijk als wethouder genoten wedde, onder toezending van de desbetreffende bepalingen van de verordening.

5.8. De enkele omstandigheid dat appellant de fout van het college had kunnen en moeten onderkennen vormt echter onvoldoende grond voor het standpunt van het college dat te veel is betaald door opzet of grove nalatigheid van appellant. Duidelijk is dat die betaling het gevolg is geweest van een aan de zijde van het college zelf gemaakte fout, en niet van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door of daarmee op een lijn te stellen gedrag van appellant. Aan het college komt dus niet de bevoegdheid toe het te veel betaalde gedurende vijf jaren na de dag van uitbetaling van appellant terug te vorderen.

5.9. In verband met het vorenstaande is het beroep op dit onderdeel gegrond en dient het bestreden besluit - wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb - in zoverre te worden vernietigd.

6. Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde beslissing inzake de onjuiste uitkeringsbasis overweegt de Raad het volgende.

6.1 Op grond van artikel 4 van de verordening wordt de uitkering berekend naar een percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering. Het college heeft in strijd met deze bepaling de verhoging van de wethouderswedde, die voor zitttende wethouders per 1 januari 2002 werd ingevoerd vanwege een wijziging in de zogenaamde deeltijdfactor, bij appellants uitkeringsgrond-slag betrokken. Na ontdekking van deze fout bestond voor het college op grond van artikel 72, derde lid, van de verordening de verplichting om over te gaan tot herstel van appellants uitkering vanaf 1 januari 2002, aangezien de termijn van vijf jaren, bedoeld in het vierde lid van dat artikel nog niet was verstreken.

6.2 Appellant heeft dit herstel op zich niet bestreden, maar in beroep aangevoerd dat het college ten onrechte heeft besloten om tot terugvordering over te gaan van het in verband daarmee te veel uitbetaalde bedrag, aangezien hij er redelijkerwijs niet mee bekend kon zijn dat hem te veel werd uitbetaald.

6.3. De Raad stelt ook hier vast dat de beslissing om tot terugvordering over te gaan door het college terecht is gebaseerd op artikel 73, vijfde lid, van de verordening. De Raad is van oordeel dat in dit geval aan de in deze bepaling opgenomen voorwaarde voor terugvordering is voldaan nu appellant vanaf 1 januari 2002 een uitkering is uitbetaald die zonder duidelijke reden met (ongeveer) 20% verhoogd was. In aanmerking genomen dat het college de terugvordering heeft beperkt tot een periode van 2 jaar, te weten tot

1 november 2002 en dat de omvang van het vastgestelde op deze grond te veel betaalde bedrag door appellant niet is betwist, betekent het voorgaande dat het beroep in zoverre ongegrond moet worden verklaard.

6.4. Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gegeven overwegingen over de schorsing van de uitkering stelt de Raad vast dat het college appellant reeds bij schrijven van 29 oktober 2003 heeft medegedeeld dat de uitbetaling van de uitkering met ingang van november 2003 is geschorst op grond van artikel 8 van de verordening wegens het niet voldoen aan de mededelingsplicht inzake het opgeven van neveninkomsten. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Met het besluit van het college van 25 november 2004 is over dit onderwerp geen nieuwe of nadere beslissing genomen, zodat het bestreden besluit hierop niet kan zien. Hetgeen appellant op dit punt in beroep naar voren heeft gebracht gaat dan ook buiten het aan de orde zijnde geschil om.

de zaak 05/4015 APPA

7. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het college het op basis van het besluit van

25 november 2004 terug te vorderen bedrag op grond van een herberekening nader, ten gunste van appellant, vastgesteld op € 16.669,-. De Raad stelt vast dat het beroep tegen het besluit van 30 maart 2005 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 mei 2005, nu dit een wijziging - als gevolg van een financiële uitwerking - van het besluit van 30 maart 2005 inhoudt en niet volledig aan het hiertegen ingestelde beroep tegemoet komt. Tegen het besluit van 26 mei 2005 heeft appellant soortgelijke grieven aangevoerd die na het vorenstaande geen afzonderlijke bespreking behoeven. Het beroep dat wordt geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht zal daarom eveneens gegrond worden verklaard, voor zover dit de omvang van de terugvordering van te veel betaalde uitkering wegens nagelaten verlaging van de uitkering van 80% naar 70% betreft.

tot slot

8. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb de Raad verzocht de gemeente Montfoort te veroordelen in de schade die hij als gevolg van de bestreden besluiten heeft geleden. Bij deze uitspraak worden door de Raad twee besluiten vernietigd en wordt het college door de Raad opgedragen een nader besluit te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich uit te spreken over mogelijke schade. Het college zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

9. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van

€ 1.127,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de zaak 04/4325 APPA:

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaken 05/2829 en 05/4015 APPA:

Verklaart de beroepen gegrond voor zover betreffende de in de besluiten van 30 maart 2005 en 26 mei 2005 vervatte terugvordering van, wegens achterwege gebleven verlaging van de uitkering van 80% naar 70%, te veel betaalde uitkering;

Vernietigt die besluiten in zoverre;

Bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak onder nummer 5.7. tot en met 5.9. is overwogen;

Verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.127,-, te betalen door de gemeente Montfoort;

Bepaalt dat de gemeente Montfoort het door appellant betaalde griffierecht ad € 136,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.

HD

12.04