Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
05-6923 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht meewerken aan onderzoek; re-integratie

Wetsverwijzingen
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 13, geldigheid: 2007-04-25
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 24, geldigheid: 2007-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/164

Uitspraak

05/6923 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

het bestuur van de rechtbank [Arrondissement] (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 25 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 oktober 2005.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te [Arrondissement], en mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter van de sector Civiel Recht van de rechtbank [Arrondissement].

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is als rechter verbonden aan de rechtbank [Arrondissement].

Na een periode van ziekte is hij door de bedrijfsarts met ingang van 19 juli 2002 hersteld verklaard.

Op 13 september 2002 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2004 heeft verweerder appellant bericht dat zijn aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g en p, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra), vervalt met ingang van de dag na ontvangst van dat besluit tot het moment waarop hij alsnog onverkort aan zijn verplichtingen in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding voldoet.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft verweerder onder meer het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 januari 2004 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2004 (besluit 1) heeft het bestuur appellant medegedeeld dat de betaling van zijn salaris vanaf

12 mei 2004 wordt hervat omdat hij toen had voldaan aan de hem opgelegde verplichting om geneeskundige onderzoeken te ondergaan.

1.4. Bij uitspraak van 1 december 2005 heeft de Raad, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2004 op voormeld onderdeel gegrond verklaard en dat besluit in zoverre vernietigd; ook het besluit van 14 januari 2004 heeft de Raad vernietigd.

1.5. Appellant is in het kader van hem op grond van artikel 13, eerste lid, van het Brra opgelegde verplichtingen om arbeidsgezondheidskundige onderzoeken te ondergaan op 5 januari 2004 door een cardioloog, op 4 februari 2004 door een internist en op 12 mei 2004 door een psychiater onderzocht.

1.6. Naar aanleiding van de bevindingen bij vorenbedoelde drie medisch-specialistische onderzoeken heeft de bedrijfsarts in een brief aan het bestuur van 7 juli 2004 de arbeidsbeperkingen van appellant weergegeven en daarbij als conclusie vermeld dat er met name op het gebied van fysieke inspanning en op het gebied van psychomentale belasting, in de zin van werkdruk en stress, medische beperkingen zijn. Op medisch-psychiatrisch gebied zijn er geen beperkingen. Volgens de bedrijfsarts kan na een afwezigheid van bijna twee jaar een abrupte volledige werkhervatting niet worden verwacht. Bovendien zal alvorens eventueel met re-integratie te beginnen, een herstel van werkbare verhoudingen moeten plaatsvinden.

1.7. Vervolgens had de bedrijfsarts naar aanleiding van een gepland spreekuurcontact op 8 juli 2004 telefonisch contact met appellant. Daaruit kwam naar voren dat appellant inmiddels weer bij de behandelend specialist was geweest en dat het ziektebeeld was veranderd. Op basis van deze informatie heeft de bedrijfsarts het bestuur bij brief van eveneens 8 juli 2004 bericht dat appellant in het geheel niet arbeidsgeschikt was.

1.8. Bij brief van 1 september 2004 aan het bestuur geeft de bedrijfsarts aan dat er bij het bestuur nog vragen blijken te bestaan over de geschiktheid van appellant voor de functie van rechter in bredere zin. De bedrijfsarts bericht het bestuur hierbij dat hij meent die vragen niet te kunnen beantwoorden omdat deze buiten zijn deskundigheidsbereik liggen. Niettemin onderkent hij dat er bij appellant mogelijk niet-medische factoren in het spel zijn. Een onderzoek daarnaar kan op zijn plaats zijn. Nu het competentieprofiel voor rechter bekend is zou een aanvullende expertise kunnen plaatsvinden. De bedrijfsarts verklaart zich bereid om een verzoek van het bestuur tot het instellen van een zodanig onderzoek door te geleiden naar twee hem bekende deskundigen op psychologisch/psychiatrisch terrein.

1.9. Bij brief van eveneens 1 september 2004 aan de psychiater van L. en de

psycholoog A., beiden te Alkmaar gevestigd, heeft de bedrijfsarts namens het bestuur gevraagd om een expertise naar de geschiktheid van appellant voor de functie van rechter. Daarbij heeft de bedrijfsarts door de deskundigen te beantwoorden vragen opgenomen die verkort kunnen worden weergegeven als volgt:

- Acht u appellant geschikt of ongeschikt als rechter om redenen van bijvoorbeeld persoonlijkheid, karakterstructuur, motivatie of gedrag? Wilt u zo veel mogelijk onderscheiden tussen medische en niet-medische redenen?

- Kunt u adviseren over een verantwoorde re-integratie van appellant?

- Als appellant ongeschikt is voor zijn eigen functie, wat zijn dan de mogelijkheden om hem te herplaatsen binnen het gezagsbereik van de minister van Justitie?

1.10. Bij besluit van 1 november 2004 (besluit 2) heeft het bestuur, onder verwijzing naar de onder 1.9. vermelde brief van de bedrijfsarts van 1 september 2004, appellant opgedragen mee te werken aan een onderzoek door beide in die brief genoemde deskundigen, te houden op 5 november 2004.

1.11. Aangezien appellant zich voor dit onderzoek had afgemeld wegens ziekte heeft het bestuur appellant bij besluit van

28 december 2004 (besluit 3) opgeroepen voor een op 14 januari 2005 door dezelfde deskundigen te houden onderzoek.

1.12. Ook voor dit onderzoek heeft appellant zich afgemeld. Het bestuur heeft appellant daarom bij besluit van 2 februari 2005 (besluit 4) opgedragen het onderzoek op 11 februari 2005 alsnog te ondergaan.

2. Bij het bestreden besluit van 18 oktober 2005 heeft het bestuur de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard.

3. Ter zitting heeft appellant zijn beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken voor zover dit ziet op besluit 1. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 1 december 2005 is verweerder hem op dit punt inmiddels geheel tegemoet gekomen.

4. De Raad overweegt ten aanzien van het resterende geschil het volgende.

4.1. Appellant heeft zich er in zijn beroepschrift allereerst over beklaagd dat in het bestreden besluit is vermeld dat hij “zonder bericht te doen van verhindering” niet op de hoorzitting is verschenen, terwijl hij toch bij aangetekende brief van 12 september 2005 op de uitnodiging voor de op 16 september 2005 te houden hoorzitting heeft gereageerd.

4.2. Dienaangaande merkt de Raad op dat bedoelde vermelding in het bestreden besluit weliswaar wat ongenuanceerd is maar niet onjuist. Appellant heeft immers in zijn brief van 12 september 2005 niet gesteld op 16 september 2005 verhinderd te zijn de hoor-zitting bij te wonen, maar verzocht deze hoorzitting geen doorgang te laten vinden omdat de uitnodiging daarvoor hem pas op 7 september 2005 had bereikt. Dit verzoek is bij brief van 14 september 2005 afgewezen. Voor zover appellant zich wil verzetten tegen deze afwijzing overweegt de Raad dat de uitnodiging voor de hoorzitting is gedateerd op 29 augustus 2005 en op die dag of kort nadien aangetekend aan appellant is verzonden. Niet gebleken is dat appellant deze uitnodiging, die kennelijk tevergeefs op zijn huisadres is aangeboden, niet eerder dan op 7 september 2005 van het postkantoor heeft kunnen ophalen. Onder die omstandigheden kan niet worden gesproken van een te korte termijn tussen de hoorzitting en de uitnodiging daarvoor, zodat niet valt in te zien dat verweerder het verzoek van appellant ten onrechte heeft afgewezen.

4.3. Met betrekking tot de grief van appellant dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld de gronden van zijn bezwaar aan te vullen, overweegt de Raad dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat hij wettelijk niet verplicht was appellant die gelegenheid te geven. Ook anderszins bestond daartoe geen verplichting, nu appellant de strekking van zijn bezwaren reeds voldoende duidelijk had aangegeven. Voorts had appellant op eigen initiatief de gronden kunnen aanvullen als hij meende dat dit voor hem van belang was.

4.4. Ten aanzien van de appellant opgelegde verplichting een onderzoek door een psychiater en een psycholoog in de onder 1.8. en 1.9. aangegeven zin te ondergaan overweegt de Raad het volgende.

4.5. Voor de Raad staat in het licht van het onder 1.8. en 1.9. overwogene vast dat bedoeld onderzoek er in elk geval mede op gericht was om na te gaan of er sprake is van niet-medische redenen om appellant ongeschikt te achten voor de vervulling van zijn ambt van rechter. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grondslag voor de gehoudenheid van appellant tot het verlenen van medewerking aan dit onderzoek is gelegen in de artikelen 13, eerste lid, en 24, eerste lid, van het Brra. De Raad kan verweerder daarin niet volgen, zeker niet voor zover het gaat om een onderzoek naar mogelijke niet-medische redenen voor ongeschiktheid. Daarbij wijst de Raad er op dat evengenoemde bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het Brra, getiteld “Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid” en dat artikel 13, eerste lid, van het Brra uitsluitend de mogelijkheid inhoudt om de rechterlijk ambtenaar te verplichten een arbeidsgezond-heidskundig onderzoek te ondergaan. Waar het gaat om het doen van onderzoek naar mogelijke ongeschiktheid voor het verrichten van de taak als rechter, anders dan wegens ziekte, is overigens toepassing van artikel 46l, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aangewezen. In dat kader komt aan verweerder geen enkele beslissingsbevoegdheid toe.

4.6. Verder kan de Raad niet inzien dat er binnen het verband van hoofdstuk 3 van het Brra nog reden bestond een onderzoek in te stellen naar mogelijk psychiatrische gronden waarop appellant als medisch arbeidsongeschikt zou zijn te beschouwen. Appellant was immers op 12 mei 2004 nog door een psychiater onderzocht met als uitslag dat er op medisch-psychiatrisch gebied geen beperkingen zijn. Dat dit onderzoek ondeugdelijk of van te beperkte strekking zou zijn geweest, is de Raad op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Bovendien zijn kennelijk ook bij medisch onderzoek in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen psychiatrische beperkingen gevonden.

4.7. Ten slotte kan de Raad niet inzien dat er op 1 september 2004 voldoende aanleiding bestond advies aan een psychiater en psycholoog te vragen over de mogelijkheden om appellant te re-integreren. Appellant was immers sinds 8 juli 2004 door de bedrijfsarts weer als geheel arbeidsongeschikt beschouwd. Op zijn minst is twijfelachtig of toen al weer aan re-integratie viel te denken, maar belangrijker is nog dat die volledige arbeidsongeschiktheid, naar appellant ter zitting onweersproken heeft gesteld en de Raad op grond van de gedingstukken niet onaannemelijk voorkomt, een (louter) fysieke oorzaak had. Voor de hand lag daarom dat eventuele re-integratiepogingen zich in ieder geval veeleer op deze oorzaak zouden richten. Verweerder heeft zich niet van die oorzaak vergewist. Voorts is appellant na 8 juli 2004 nimmer meer voor het spreekuur van de bedrijfsarts uitgenodigd. De Raad kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat het door verweerder gewenste onderzoek er in feite niet zozeer op was gericht om appellant weer aan het werk te krijgen.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het verweerder niet vrij stond om appellant op te dragen het hiervoor bedoelde onderzoek te ondergaan. Het beroep slaagt derhalve en het bestreden besluit komt voor zover nog aangevochten voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de besluiten 2, 3 en 4 te herroepen nu het daaraan klevende gebrek niet te herstellen is.

5. De Raad acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 20,62 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 oktober 2005 voor zover aangevochten;

Herroept de besluiten van 1 november 2004, 28 december 2004 en 2 februari 2005;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 20,62 aan reiskosten, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

Q