Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
06-1033 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling ambtenaar; beleid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2007-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/173

Uitspraak

06/1033 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2006, 05/1642 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: college)

Datum uitspraak: 25 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te

’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is nadat zij een stageperiode had doorlopen per 1 maart 2002 als casemanager aangesteld in vaste dienst bij de dienst [naam dienst]. Zij is op 15 oktober 2002 uitgevallen wegens ziekte. Nadat zij in april 2003 volledig arbeidsgeschikt was verklaard, heeft zij haar werkzaamheden als casemanager op 15 juli 2003 hervat bij dezelfde gemeentelijke dienst op een andere locatie, te weten [dienst 2].

1.2. Ten aanzien van appellante is over de periode september 2003 tot maart 2004 op 3 maart 2004 een beoordeling opgemaakt, die op 27 juli 2004 is vastgesteld. Bij het thans bestreden besluit van 7 april 2005 heeft het college dit besluit na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans nog van belang, heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad merkt allereerst op dat hij geen aanleiding heeft gevonden het ter zitting herhaalde verzoek van appellante om het onderzoek ter zitting uit te stellen in te willigen. Daartoe acht hij redengevend dat hij zich, mede gelet op hetgeen appellante en haar gemachtigde ter zitting naar voren hebben gebracht, voldoende voorgelicht acht om tot beoordeling van het bestreden besluit over te gaan.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. In de ‘Concernbeleidskaders 1993 beoordelen & belonen’ van de gemeente Arnhem is onder meer vastgelegd dat bij een beoordelingsgesprek de naasthogere chef aanwezig moet zijn indien er sprake is van onvoldoende functioneren en dat gesprek mogelijke rechtspositionele gevolgen voor de beoordeelde heeft. Appellante heeft naar voren gebracht dat het beoordelingsgesprek niet conform deze beleidsregel heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat de naasthogere chef, de heer W., niet aanwezig was bij het met appellante op 3 maart 2004 gehouden beoordelingsgesprek. Dit neemt echter niet weg dat W. zeer nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de onderhavige beoordeling, waarbij het functioneren van appellante onvoldoende is geacht. Nu onder voormelde omstandigheden niet kan worden aangenomen dat appellante daardoor in haar belangen is geschaad, zal de Raad met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht aan de afwezigheid van W. bij het beoordelingsgesprek geen gevolgen verbinden.

4.2. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en

TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

4.2.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het besluit deze toetsing kan doorstaan. Aan de hand van de gezichtspunten kennis, zelfstandigheid, kwaliteit van het werk, kwantiteit van het werk, omgaan met veranderingen, uitdrukkingsvaardigheid, contactuele vaardigheid en werkhouding is de wijze waarop appellante functioneerde gemotiveerd beschreven en beoordeeld. Appellante kan worden toegegeven dat een meer concrete onderbouwing van de gezichtspunten in de beoordeling zelf niet had misstaan, maar voor het oordeel dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust, bestaat geen grond. Aan de beoordeling liggen immers brieven, verslagen en rapportages van de door de teamleider en praktijkbegeleiders met appellante gehouden voortgangs- en functione-ringsgesprekken ten grondslag, waaruit kan worden afgeleid dat en waarom over (vrijwel) de gehele lijn geen positief beeld van het functioneren van appellante bestond. Deze brieven, verslagen en rapportages bevatten voldoende concrete informatie over het functioneren van appellante in de onderhavige periode om het negatieve oordeel daaromtrent te kunnen schragen. Appellante heeft de betwisting van het op die informatie gestoelde oordeel over haar functioneren niet nader gemotiveerd en zij heeft haar stelling dat zij destijds goed functioneerde niet nader onderbouwd.

4.2.2. Ten aanzien van de door appellante geuite kritiek op de vaststelling van het eindoordeel A/B, gelet op de afzonderlijke scores op de acht gezichtspunten (7 keer B,

1 keer A), overweegt de Raad dat het daarbij gaat om de waardering van het totale beeld dat het functioneren van de betrokken medewerker over de beoordelingsperiode heeft opgeroepen. Dit eindoordeel dient in verhouding te staan tot de scores op de afzonderlijke gezichtspunten, doch behoeft niet een langs mathematische weg bepaald, rekenkundig gemiddelde te zijn. Het staat het betrokken bestuursorgaan in beginsel vrij om aan de afzonderlijke gezichtspunten een verschillend gewicht toe te kennen, welk gewicht afhankelijk kan zijn van de overwegingen die tot de onderscheiden scores hebben geleid. Het gezichtspunt werkhouding, waaronder ook de aanspreekbaarheid op gebreken in het functioneren valt te begrijpen, is door het college niet ten onrechte als een kernaspect van het totale beeld en derhalve van de beoordeling beschouwd. Dit temeer nu appellante zich in een inwerkperiode bevond. Gelet daarop heeft het college het eindoordeel omtrent het functioneren van appellante redelijkerwijs kunnen vaststellen op A/B.

4.2.3. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht met betrekking tot de omstandig-heden waaronder zij haar werkzaamheden heeft moeten uitvoeren kan, wat er verder van zij, niet tot het daarmee door haar beoogde doel leiden. Deze omstandigheden kunnen hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling in rechtspositionele sfeer te verbinden gevolgen, maar zij kunnen niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren van appellante gerechtvaardigd is. Bovendien is in de motivering van de gegeven scores de bijzondere omstandigheid dat appellante een inwerkprogramma volgde duidelijk aangegeven.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.