Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
05-6228 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling dient op voldoende gronden te berusten; rekenkundig gemiddelde van scores niet van doorslaggevend belang.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6228 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2005, 04/2498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 3 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.T. Dijkstra, advocaat te Oud-Beijerland. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 maart 1975 werkzaam bij de politie. Bij beoordelingen van

21 maart 2001 en van 29 mei 2002 is het functioneren van appellant als technisch rechercheur over de periode van 1 september 1998 tot 1 januari 2002 als onvoldoende beoordeeld. Deze beoordelingen zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Bij brief van 29 mei 2002 is appellant meegedeeld dat hij gedurende een periode van zes maanden vanaf 1 juni 2002 in de gelegenheid wordt gesteld om zijn functioneren te verbeteren en dat deze periode wordt afgesloten met een beoordeling. Indien het eind-oordeel opnieuw onvoldoende is, zal worden overgegaan tot ontslag.

1.3. Bij brief van 6 november 2002 is appellant meegedeeld dat hij in het kader van een reorganisatie met ingang van 1 december 2002 in de functie van senior forensisch technisch onderzoeker wordt geplaatst. Na een tweetal functioneringsgesprekken is appellants functioneren over de periode van 29 mei 2002 tot 1 april 2003 beoordeeld. Deze beoordeling, waarvan het eindresultaat eveneens onvoldoende luidde, is op

1 oktober 2003 vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 3 december 2003 heeft de korpsbeheerder met ingang van 1 februari 2004 aan appellant, met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken eervol ontslag verleend.

1.5. De tegen de beoordeling van 1 oktober 2003 en het ontslagbesluit gemaakte bezwaren zijn bij het bestreden besluit van 12 juli 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

De beoordeling

3.1.Volgens vaste jurisprudentie (CRvB 13 juli 2006, LJN AY5117 en TAR 2007, 3) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In geval van negatieve oordelen geldt het uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenvermelde toetsing kunnen doorstaan.

3.2. In de onderhavige beoordeling is aan de gezichtspunten “communicatie”, “rijpheid” en “zelfinzicht” telkens de score 2 (onvoldoende) toegekend. Volgens de korpsbeheerder komt hierin naar voren dat appellant moeite heeft om leiding te accepteren, stelt hij genomen beslissingen telkens opnieuw ter discussie, stelt hij zich daarbij vaak provocerend op en duldt hij moeilijk tegenspraak. Indien appellant wordt aangesproken op zijn acties en gedrag komt hij, na aanvankelijke (h)erkenning, daarvan terug. In dit verband is van de kant van de korpsbeheerder onder meer de gang van zaken betreffende “Focus”, de werkgroep standaardisering processen-verbaal, de aansturing van de Forensisch Technische Ondersteuning (FTO), het trainingstraject bij “Bokslag” en appellants sollicitatie naar de functie van afdelingschef FTO genoemd.

3.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat het functioneren van appellant op de hiervoor weergegeven gezichtspunten duidelijk te wensen overliet. Het is de Raad gebleken dat het daarbij bepaald om meer gaat dan een wat ongelukkige wijze van formuleren en presenteren. Er is sprake van terugkerend onhebbelijk gedrag met (dreigende) gevolgen voor het functioneren van appellant zelf, zijn leidinggevenden en collega’s. Het betreft een houding en een gedrag waarop reeds in de eerdere beoordelingen ernstige kritiek is geuit en waarop appellant uitdrukkelijk is aangesproken.

3.4. Ten aanzien van de omstandigheid dat de eindbeoordeling “onvoldoende” in negatieve zin fors afwijkt van het (rekenkundig) gemiddelde van de scores op het beoordelingsformulier overweegt de Raad dat dit eindoordeel geen rekenkundig gemiddelde behoeft te zijn. Op grond van het door de korpsbeheerder gehanteerde Reglement personeelsbeoordeling en functioneringsgesprekken leidt een onvoldoende score voor twee van de drie gezichtspunten “rijpheid”, “zelfinzicht” en “discipline” (tezamen vormend de dimensie “evenwicht”) per definitie tot een onvoldoende totaalbeoordeling. De Raad kan de korpsbeheerder volgen in zijn stelling dat aan de dimensie “evenwicht” groot belang wordt gehecht. Nu appellant juist op die dimensie onvoldoende scoorde, is het voor de eindbeoordeling niet doorslaggevend dat appellant op andere onderdelen wel als goed functionerend werd beoordeeld. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellants stelling dat, voordat de beoordeling werd opgemaakt, beoordelaar Molijn tegen hem zou hebben gezegd dat de punten die hij had ingebracht voldoende waren, niet strookt met de verklaring die Molijn ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd.

3.5. De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de beoordeling van appellant over de periode van 29 mei 2002 tot 1 april 2003 de in 3.1. weergegeven rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Het ontslag

4.1. Voor de rechterlijke beoordeling van een ontslag als het onderhavige geldt als toetsingskader dat de ongeschiktheid voor de functie moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar; hij moet tijdig met zijn tekortkomingen zijn geconfronteerd en in de gelegenheid zijn gesteld om zijn functioneren te verbeteren.

4.2. De Raad acht gezien hetgeen hij hiervoor met betrekking tot de beoordeling heeft overwogen, in combinatie met de in 2001 en 2002 vastgestelde beoordelingen, voldoende onderbouwd dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. Weliswaar laat de laatste beoordeling een verbetering zien ten opzichte van de twee daaraan voorafgaande beoordelingen, maar de kritiek op appellants houding en gedrag is onveranderd aanwezig. Appellant is tijdig aangesproken op zijn onvoldoende functioneren. De Raad wijst hierbij onder meer op de brieven van de korpsbeheerder van 31 oktober 2001 en 29 mei 2002 waarbij appellant is gewezen op de noodzaak zijn functioneren te verbeteren omdat anders ontslag zou volgen. Het standpunt van appellant dat hem geen ondersteuning is geboden om zijn functioneren te verbeteren, kan de Raad niet volgen. Appellant is verschillende malen in gesprekken erop gewezen wat hij aan zijn houding en gedrag moest veranderen en hij is in de gelegenheid gesteld een trainingstraject te volgen bij het psychologisch adviesbureau Bokslag. Anders dan hem was geadviseerd, heeft hij de inhoud van het rapport dat door dit bureau was opgesteld niet besproken met zijn direct leidinggevende. Verder heeft hij er zelf voor gekozen om van een vervolgtraject in de vorm van een gerichte training af te zien. Ten aanzien van de door appellant in dit verband voorts ingenomen stelling dat geen ondersteuning is geboden in de vorm van mediation merkt de Raad op dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant hierom heeft gevraagd.

4.3. Gelet op het vorenstaande was de korpsbeheerder bevoegd appellant ontslag te verlenen. Waar de Raad bij het hier aan de orde zijnde ontslag geen op de korpsbeheerder uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende verplichting ziet rusten tot het onder-nemen van herplaatsingspogingen, is hij voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant te ontslaan.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.