Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
05-7265 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid. Onderbouwing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7265 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 november 2005, 04/944 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef & Partners te Boskoop. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 1 juli 2003 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 15 juli 2003 op grond van artikel 19:1:39, eerste lid, aanhef en onder g van de Rechtspositie-regeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken, ontslag verleend uit zijn functie van vrijwillig plaatsvervangend [functie] bij de gemeentelijke brandweer.

1.2. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2004.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 1 juli 2003 herroepen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet in geval van ontslag wegens ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - de ongeschiktheid worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

3.2. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het ontslagbesluit heeft gegeven, en verwijst naar de hiertoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Ook de Raad heeft moeten vaststellen dat het oordeel van appellant omtrent de onbekwaamheid of ongeschiktheid van betrokkene niet is onderbouwd aan de hand van concrete gedragingen. Appellant heeft slechts in algemene bewoordingen negatieve kwalificaties gegeven betreffende een aantal eigenschappen en gedragingen van betrokkene, doch van een deugdelijke onderbouwing met concrete en verifieerbare voorbeelden daarvan is geen sprake. Evenmin is gebleken dat betrokkene met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en in de gelegenheid is gesteld zich te verbeteren. Door appellant is ook erkend dat een ontslagdossier, waarbij uit schriftelijk vastgelegde gegevens blijkt van onbekwaamheid of ongeschiktheid, niet voorhanden is. De enkele omstandigheid dat aan de zijde van appellant het vertrouwen in betrokkene feitelijk geheel is komen te ontbreken, om welke reden appellant betrokkene ook nimmer meer wenst op te roepen voor het verrichten van dienst, kan niet worden beschouwd als een voldoende grond voor het gegeven ontslag. Evenmin kan hierin een grond zijn gelegen om, zoals door appellant is verzocht, met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsnog te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde dan wel herroepen besluiten in stand blijven.

3.3. De Raad deelt derhalve de conclusie van de rechtbank dat het besluit van appellant dat betrokkene ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekte of gebreken, op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de gemeente Leidschendam-Voorburg;

Bepaalt dat van de gemeente Leidschendam-Voorburg een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A.A.M. Mollee en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.