Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
06-6090 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6090 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 september 2006, 05/4642 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Voor appellant is verschenen mr. K.I. Meijering, werkzaam bij de Stichting BNMO Serviceorganisatie te Doorn. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding vaststaande feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant is op 4 november 1981 als dienstplichtig militair opgeroepen in werkelijke dienst. Op 26 mei 1982 is hij naar Libanon vertrokken en ter beschikking gesteld van UNIFIL. Op 28 juli 1982 is hij vanuit Libanon naar Nederland teruggekeerd. In 1983 is hij met groot verlof gegaan.

1.2. Bij brief van 8 oktober 2003 heeft appellant een verzoek ingediend om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij primair besluit van 27 april 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 17 juni 2005, is dat verzoek afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat verband aanvaard moet worden tussen de uitoefening van de militaire dienst en de psychische aandoening met verslavingsproblematiek van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant onvoldoende specifiek heeft aangetoond dat hij door zijn uitzending naar Libanon getraumatiseerd zou zijn en dat de staatssecretaris dientengevolge ten aanzien van de psychische aandoening van depressieve aard dienstverband had moeten aannemen. Appellant heeft zich met dat oordeel niet kunnen verenigen.

3. Alvorens in te gaan op het geding ten gronde stelt de Raad vast dat appellant ten tijde hier in geding dienstplichtig militair was. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen is in dit geval dan artikel 11 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Staatsblad 2001, 140, hierna: Besluit AO/IV) van toepassing. Blijkens artikel 2 van het Besluit AO/IV geldt voor dienstplichtige militairen, c.q. reservisten een minder ruim invaliditeitscriterium dan voor beroepsmilitairen. De staatssecretaris heeft in het geval van appellant beoordeeld of ook sprake was van verergerend dienstverband en heeft daarbij dus het ruimere invaliditeitscriterium van de beroepsmilitair gehanteerd. Nu naar het oordeel van de Raad appellant met het toepassen van het ruimere invaliditeitscriterium niet in zijn belangen is geschaad, zal de Raad daaraan geen consequenties verbinden.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. Appellant stelt zijn psychische klachten te hebben opgelopen tijdens zijn uitzending naar Libanon alwaar hij patrouilles heeft gelopen, waarnemingsposten en roadblocks heeft bemand, een goede maat heeft verwond, zich gedurende twee weken bedreigd heeft gevoeld door mortier- en mitrailleurgeschut en lijken heeft gezien. Naar aanleiding van zijn aanvraag is appellant onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek (MGO) waarbij door de verzekeringsarts informatie van de behandelende sector is betrokken. In het kader van het MGO is appellant eveneens onderzocht door de psychiater P. Notten. Deze psychiater is tot de conclusie gekomen dat in psychiatrische zin weinig zinvols is te zeggen over een eventuele onderliggende problematiek bij appellant, omdat appellant constant onder invloed verkeert van geestverruimende en angstdempende middelen, te weten alcohol en wiet. Volgens de psychiater Notten lijken de klachten van appellant eerder te moeten worden verklaard vanuit een gebrekkige ontwikkeling, c.q. een persoonlijkheidsstoornis dan op basis van een psychische ziekte. Hij achtte geen sprake van een causaal verband tussen de uitoefening van de militaire dienst en de psychische problematiek.

4.2. De Raad is van oordeel dat het MGO zorgvuldig is verricht en voldoende grondslag biedt voor het standpunt van de staatssecretaris dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de psychische klachten van appellant en de uitoefening van de militaire dienst. De Raad heeft daarbij mede laten wegen dat de psycholoog, drs. H. van Schie, blijkens zijn rapport van 16 oktober 2003 eveneens tot de conclusie is gekomen dat bij appellant sprake is van aanpassingsstoornissen op basis van een antisociale persoonlijk-heidsontwikkeling. Daarnaast heeft de huisarts van appellant bij brief van 29 maart 2004 de verzekeringsarts van de staatssecretaris laten weten niet bekend te zijn met een psychiatrische aandoening van appellant.

4.3. Van de zijde van appellant zijn naar het oordeel van de Raad onvoldoende gegevens ingebracht waaruit zou moeten blijken dat het standpunt van de staatssecretaris onjuist is. Aan het door appellant in de bezwaarfase overgelegde rapport van de psychiater, dr. W. Op den Velde, kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant eraan toegekend wil zien. Blijkens zijn rapport bestaat volgens deze psychiater bij appellant een chronische depressie, terwijl hij eigenlijk de niet langer in de DSM-systematiek opgenomen categorie angstig-depressieve stoornis meer van toepassing acht, waarbij ook voldoende kenmerken aanwezig zijn om van een PTSS te spreken. Enkele van die symptomen kunnen volgens Op den Velde ook veroorzaakt worden door een gebrek aan toekomstperspectief en gevoelens van vervreemding. Naar het oordeel van de Raad heeft de psychiater Op den Velde in meergenoemd rapport aldus niet een oorzaak gegeven voor het ontstaan van de psychische klachten van appellant in relatie tot de uitoefening van de militaire dienst die overtuigend en dwingend wijst in andere richting dan door de staatssecretaris op basis van het MGO is aangenomen.

5. De aangevallen uitspraak waarbij het besluit in stand is gelaten, komt, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.