Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
06-1515 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomen uit nevenfunctie als consultant verrekenen met uitkering?

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 134
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1515 APPA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 januari 2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (hierna: de Wet).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, met bijstand van mr. J.Th. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door

mr. O.P. de Gier, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft verweerder ingaande 19 november 2001 aan appellant als gewezen wethouder van de gemeente Tilburg op grond van de artikelen 130 en volgende van de Wet een uitkering toegekend.

Bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit heeft verweerder - voor zover in dit geding van belang - de vergoeding die appellant ontvangt als op genoemde datum aangetreden gemeenteraadslid, alsmede de toegenomen inkomsten uit een bestaande functie als commissaris bij een naamloze vennootschap en de toegenomen inkomsten uit bestaande werkzaamheden als consultant vanaf 1 januari 2003 met toepassing van artikel 134, in samenhang met artikel 130, eerste lid onder a, van de Wet, voor verrekening met die uitkering in aanmerking gebracht.

In bezwaar en beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld - kort samengevat - dat een redelijke uitleg en toepassing van artikel 134 van de Wet meebrengt dat bij de verrekening alleen de overschrijding van het totale niveau van de tijdens het voorlaatste jaar van het wethouderschap verworven inkomsten uit nevenactiviteiten in aanmerking mag worden genomen. Naar de mening van appellant is hierbij dan niet van belang of in de aard van die activiteiten inmiddels een wijziging is opgetreden. Aldus bezien mogen volgens appellant met name de inkomsten uit de na zijn wethouderschap aanvaarde functie als gemeenteraadslid en de toegenomen inkomsten als consultant na het wegvallen van het voormelde commissariaat niet met zijn uitkering als wethouder worden verrekend, nu de som van die inkomsten nog altijd lager is dan de som van zijn tijdens het wethouderschap al verworven neveninkomsten.

Verweerder is van oordeel dat de Wet voor de door appellant bepleite uitleg geen ruimte biedt. Naar zijn mening - kort samengevat - volgt duidelijk uit artikel 134 van de Wet dat inkomsten uit nieuwe, in het laatste jaar van het wethouderschap en daarna ontwikkelde activiteiten geheel voor verrekening in aanmerking komen, en dat een verhoging van inkomsten uit een bepaalde al bestaande nevenactiviteit niet kan worden weggestreept tegen het verlies van inkomsten uit een inmiddels weggevallen nevenactiviteit.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 134, eerste lid, van de Wet is bepaald dat de inkomsten die de belanghebbende geniet worden verrekend met de uitkering over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Blijkens het tweede tot en met vierde lid, wordt onder inkomsten verstaan - kort gezegd en voor zover hier van belang - het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende geniet wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen tijdens het laatste jaar van het wethouderschap en daarna, alsmede de hogere inkomsten uit al bestaande activiteiten. In het derde lid, aanhef en onder c - te lezen in samenhang met artikel 130, eerste lid onder c - wordt als te korten inkomsten specifiek nog genoemd de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van de gemeenteraad.

Genoemde bepalingen zijn van dwingendrechtelijke aard terwijl ook anderszins aan verweerder niet de bevoegdheid is gegeven om van deze bepalingen af te wijken.

Met verweerder is de Raad voorts van oordeel dat deze bepalingen voor de door appellant voorgestane uitleg geen ruimte bieden. Terecht is door verweerder betoogd dat uit het bepaalde in artikel 134 duidelijk volgt dat inkomsten uit nieuwe activiteiten dan wel hogere inkomsten uit al bestaande activiteiten dienen te worden verrekend, ongeacht het ten tijde van het wethouderschap al bereikte totale niveau van neveninkomsten. Ten aanzien van de inkomsten als raadslid is dit nog temeer duidelijk, gezien de expliciete vermelding van de vergoeding als raadslid als voor verrekening in aanmerking komende inkomsten. Hierbij merkt de Raad nog op dat de Wet blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming over het nu voorliggende onderwerp voorziet in een financiële overbrugging na een aftreden uit een politiek ambt, indien de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en zolang nog geen voldoende nieuwe inkomsten zijn gevonden. Hieruit, en uit de uitwerking van dit beginsel in artikel 134 van de Wet, moet worden afgeleid dat de Wet wel een zekere bescherming biedt voor het wegvallen van het wethoudersinkomen maar niet beoogt een absolute garantie te bieden voor het tijdens het wethouderschap bereikte totale inkomensniveau. In zoverre heeft de inkomensbescherming van de Wet derhalve (ook in dit opzicht) een beperkte strekking. De opvatting dat de keuze van de wetgever uit oogpunt van billijkheid ook anders had kunnen - en in de overtuiging van appellant zelfs had moeten - uitvallen, kan in een rechterlijke procedure niet meewegen.

Ook hetgeen overigens is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de in het bestreden besluit neergelegde verrekening van neveninkomsten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door verweerder gehanteerde inkomensgegevens en becijferingen op zich niet zijn betwist, zoals appellant ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

Anders oordeelt de Raad over de in het bestreden besluit tevens neergelegde beslissing tot afwijzing van het namens (thans) appellant gedane verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. Aangezien bij het bestreden besluit op basis van door verweerder eerder gedane toezeggingen alsnog is besloten tot beperking van de termijn van verrekening, bestond voor die vergoeding alleszins aanleiding.

In zoverre komt het bestreden besluit derhalve wel, wegens strijd met artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking. De Raad stelt die vergoeding zelf, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, vast op een bedrag van € 644,-- wegens kosten van juridische bijstand in bezwaar.

De Raad ziet ten slotte aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van eveneens € 644,-- wegens kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond, voor zover betreffende de in het bestreden besluit vervatte weigering van vergoeding van proceskosten in bezwaar;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant in bezwaar en in beroep tot een totaal bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 141,-- vergoedt;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.