Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
06-1339 WIV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering buitengewoon pensioen. Lid van een verzetsorganisatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1339 WIV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 19 januari 2006, kenmerk 32412 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1925, in oktober 2003 een aanvraag ingediend om te worden erkend als deelnemer aan het verzet in de zin van de Wet en om toekenning als zodanig van een buitengewoon pensioen. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ als lid van een verzetsorganisatie oranje V-tekens heeft gemaakt en wapens heeft verborgen met het oogmerk om bij een eventuele invasie van geallieerde troepen te worden gebruikt. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij herhaaldelijk, op verdenking van deelname aan het verzet, door de bezetter is gearresteerd en gevangen gehouden en meerdere malen is gemarteld.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van de Wet is door de Stichting Pelita een rapport opgesteld omtrent de omstandigheden waarop de aanvraag berust. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft deze stichting op 20 juli 2004 schriftelijk verklaard dat naar haar oordeel appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van

artikel 2, eerste lid, van de Wet. Daartoe is overwogen dat uit het onderzoek de betrokkenheid bij en de activiteiten voor de ondergrondse groepering te Magelang onder leiding van Siahaya en De Leeuw in voldoende mate aannemelijk zijn geworden, en voorts dat vast is komen te staan dat appellant meermalen in Japanse gevangenschap heeft verbleven, waarbij hij werd verhoord en gemarteld.

Verweerster heeft de aanvraag van appellant niettemin afgewezen bij besluit van

30 november 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerster voorop gesteld dat aannemelijk is dat appellant lid is geweest van een in Magelang opgerichte V-groep en dat hij in dat kader V-tekens heeft vervaardigd en wapens heeft verborgen. Ook heeft verweerster aangenomen dat appellant een aantal keren in gevangenschap heeft verkeerd.

Naar het oordeel van verweerster is evenwel het enkele lidmaatschap van of betrokkenheid bij een verzetsgroep niet voldoende voor de kwalificatie van verzet, maar gaat het om de aard, omvang en frequentie van de activiteiten die een persoon ten behoeve van die verzetsgroep heeft verricht.

Aangezien omtrent die aard, omvang en frequentie in het geval van appellant op basis van het ingestelde onderzoek of anderszins geen objectieve bevestiging is verkregen, en ook geen objectieve gegevens zijn verkregen over de aard en de reden van de arrestaties van appellant, acht verweerster onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van activiteiten die reiken tot het niveau van verzet in de zin van de Wet.

De Raad overweegt mede naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht als volgt.

Blijkens artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet wordt voor de toepassing van de Wet verstaan onder verzet:

Activiteiten welke na de capitulatie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, anders dan in militair verband, werden verricht met het oogmerk door daad en houding afbreuk te doen aan de militaire of ideologische doeleinden van de bezetter zonder dat daarbij persoonlijk gewin of andere persoonlijke motieven een rol speelden en welke een zekere mate van duurzaamheid of intensiteit inhielden en waaraan voor betrokkene een duidelijk risico verbonden was.

Naar de Raad ook al in eerdere rechtspraak hierover tot uiting heeft gebracht, ontleent verweerster aan genoemde bepaling terecht het vereiste dat de bij een aanvraag gestelde activiteiten naar aard, omvang en frequentie van substantiƫle betekenis moeten zijn geweest om van verzet in de zin van de Wet te kunnen spreken. Met verweerster is de Raad van oordeel dat het lidmaatschap van een verzetsorganisatie, hoewel risicovol, op zichzelf nog niet voldoende is om aan te nemen dat het niveau van verzet als bedoeld in de Wet is bereikt.

De Raad stelt verder voorop dat uit het bepaalde in artikel 27 van de Wet niet volgt dat verweerster verplicht is de over een aanvraag door de Stichting Pelita afgegeven verklaring te volgen. Die verklaring en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen hebben wel te gelden als een zwaarwegend advies, waarvan verweerster slechts gemotiveerd mag afwijken.

Gelet op de onder de gedingstukken aanwezige gegevens is de Raad tot de slotsom gekomen dat verweerster in dit geval op goede gronden van het advies van de Stichting Pelita is afgeweken. Ook de Raad heeft in die gegevens geen feitelijke bevestiging kunnen vinden omtrent met name de omvang en frequentie van de door appellant verrichte activiteiten, zodat niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een zekere mate van duurzaamheid of intensiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet. Voorts ontbreken objectieve gegevens over de redenen van de aanhoudingen van appellant, zodat ook hieruit geen aanwijzing valt te putten voor de bepaling van de omvang van de activiteiten van appellant.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht over een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.