Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
06-5126 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitbreiding huishoudelijke hulp. Begeleiding bij sociaal vervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5126 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 24 augustus 2006, kenmerk JZ/A70/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2007. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1933, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante verband houden met de vervolging. Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft verweerster aan appellante onder meer met ingang van

1 november 1997 ingevolge artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend ter zake van de kosten verbonden aan huishoudelijke hulp, éénmaal per week een halve dag tot maximaal het ter plaatse gebruikelijke tarief, voor zover deze kosten niet op andere wijze worden gedekt.

1.2. Desgevraagd is bij besluit van 5 maart 2004 aan appellante met ingang van 1 november 2003 onder meer ingevolge de artikelen 20 en 21a van de Wet een vergoeding toegekend voor huishoudelijke hulp voor ten hoogste 8 uur per week wegens beperkingen door de causale psychische klachten en de non-causale lichamelijke klachten.

1.3. In november 2005 heeft mr. Van Berkel voornoemd namens appellante aan verweerster verzocht om, voor zover hier van belang, uitbreiding van huishoudelijke hulp naar 12 uur per week en om begeleiding bij vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 3 februari 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Over de huishoudelijke hulp is overwogen dat appellante niet is aangewezen op deze voorziening in verband met de uit de vervolging voortvloeiende klachten van appellante en dat er daarom geen medische noodzaak is voor een dergelijke voorziening. Met betrekking tot begeleiding bij vervoer voor het onderhouden van sociale contacten heeft verweerster overwogen dat de aan appellante toegekende vergoeding voor sociaal vervoer ook kan worden besteed aan eventuele begeleidingskosten.

2. Appellante kan zich met dit besluit niet verenigen. Zij meent dat haar gezondheids-situatie sinds haar laatste medische onderzoek in 2002 is verslechterd en dat uit het bericht van haar huisarts en het zogenoemde sociale rapport redenen naar voren komen om aan te nemen dat haar extreme vermoeidheid haar niet in staat stelt tot zelfverzorging. Inzake de voorziening voor begeleiding bij sociaal vervoer stelt zij begeleiding nodig te hebben zoals dat geldt bij de aan haar toegekende voorziening voor begeleiding bij extra vakantie. Zij wijst daarbij op haar verhoogde vervoersbehoefte.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad dient te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

4.1. Uitbreiding huishoudelijke hulp

4.1.1. Ten aanzien van verweersters weigering om aan appellante een voorziening voor meer dan acht uur huishoudelijke hulp per week toe te kennen, heeft verweerster over-wogen dat bij appellante alleen de psychische klachten in het door de Wet gevorderde verband met de vervolging zijn aanvaard. Verweerster heeft bij deze aanvraag een aanvullende sociale rapportage opgemaakt en actuele informatie bij de behandelende sector opgevraagd. Hierop heeft de huisarts bij brief van 23 december 2005 aangegeven dat er geen wijziging is in de psychische toestand van appellante. De lichamelijke toestand van appellante is echter wel verslechterd. Deze huisarts heeft enkele specialis-tenbrieven ingezonden. De geneeskundig adviseur van verweerster heeft op basis van deze informatie geconcludeerd dat er op grond van de causale psychische klachten geen aanleiding bestaat tot uitbreiding van huishoudelijke hulp, daar de beperkingen die appellante ondervindt bij het verrichten van huishoudelijk werk voortvloeien uit de aanzienlijke non-causale lichamelijke klachten.

4.1.2. Ook de Raad heeft op basis van de voorhanden zijnde medische informatie moeten constateren dat de thans bestaande aanzienlijke beperkingen van appellante bij het verrichten van huishoudelijke taken zijn toe te schrijven aan de non-causale lichamelijke klachten. De Raad acht deze medische informatie, met name met betrekking tot de afwezigheid van wijzigingen in het psychisch toestandsbeeld van appellante voldoende actueel. In aanmerking genomen dat voor beïnvloeding van de forse lichamelijke klachten door de psychische toestand van appellante in de aanwezige medische gegevens geen enkele aanwijzing bestaat, is de Raad van oordeel dat met de aanwezige medische informatie kan worden volstaan.

4.2. Begeleiding bij sociaal vervoer

4.2.1. Met betrekking tot verweersters weigering appellante in aanmerking te brengen voor een separate voorziening op dit punt overweegt de Raad als volgt.

Appellante is in het genot van een vergoeding voor sociaal vervoer. Deze vergoeding wordt door verweerster toegekend indien er vanwege causale medische redenen sprake is van zodanige beperkingen dat een betrokkene niet met het openbaar vervoer kan reizen. Verweerster heeft in dit kader een normbedrag vastgesteld waarin rekening is gehouden met vervoer per eigen auto en ook met eventueel vervoer per taxi. Dit heeft geleid tot een hoger normbedrag dan gehanteerd wordt bij uitsluitend gebruik van eigen auto. Naar uit de gedingstukken blijkt wordt appellante voor het onderhouden van sociale contacten gereden door haar kinderen. Naar het oordeel van de Raad moet appellante geacht worden uit de haar toegekende voorziening zowel de vervoerskosten als de eventuele aanrijkosten van haar kinderen te kunnen bestrijden.

4.2.2. Net als verweerster ziet de Raad niet in dat, gelet op de daartoe strekkende gegevens, er bij appellante daarnaast nog gesproken kan worden van extra kosten.

4.2.3. Namens appellante is gewezen op de omstandigheid dat verweerster wel een medische noodzaak aanwezig heeft geacht voor begeleiding bij vakantie en aan appellante daarvoor een vergoeding heeft toegekend. Dit heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Begeleiding bij vakantie brengt immers extra kosten met zich, zoals die van verblijf, die uit de oorspronkelijke vergoeding niet kunnen worden bestreden.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

6. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.