Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
06/88, 06/89 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berisping wegens niet informeren meerderen over beslissing werkzaamheden op te pakken die niet een directe relatie hebben met grondgebied van de politieregio.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Besluit algemene rechtspositie politie 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR 2007, 57 met annotatie van P.J. Schaap
TAR 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/88 en 06/89 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 november 2005, 04/1861 en 05/660 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 3 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. W.J. Dammingh, verbonden aan de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.U.C.I. Duran, werkzaam bij de politieregio [regio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, een ervaren milieu-specialist in de rang van brigadier, heeft op 15 september 2003, tijdens een privébezoek aan zijn zoon in ’s-Gravenhage, op de stoep voor diens woning materiaal zien liggen waarvan hij vermoedde dat het asbesthoudend was. Hij heeft dit gemeld aan de plaatselijke politie van de regio Haaglanden, waarna medewerkers van die regio en van de gemeente ’s-Gravenhage zijn komen kijken. Omdat er naar de mening van appellant bij die medewerkers onvoldoende kennis aanwezig was, heeft hij ter plaatse van het vermoedelijk asbesthoudend materiaal een monster genomen, dat hij op 16 september 2003 tijdens diensttijd persoonlijk met de dienstauto naar het Search Laboratorium te Amsterdam heeft gebracht. Dit laboratorium, waarmee de politieregio geregeld contact had, heeft de rekening voor het onderzoek van het monster gezonden naar de politieregio. Daar heeft administratief medewerker C. tevergeefs gezocht naar een vermelding van een en ander in het zogenoemde bedrijfsprocessen-systeem (hierna: BPS). Nadat appellant de toedracht had uitgelegd, is de rekening doorgestuurd naar de gemeente ’s-Gravenhage. Deze heeft in november 2003 in een brief onder meer laten weten dat zij niet bereid was de rekening te betalen.

1.2. Naar aanleiding van een en ander is een disciplinair onderzoek ingesteld, in verband waarmee appellant buiten functie is gesteld. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek is aan appellant een schriftelijke berisping gegeven. Na bezwaar is die berisping gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 februari 2005. Appellant is daarbij in het bijzonder verweten dat hij zijn meerderen niet tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing werkzaamheden op te pakken die niet een directe relatie hebben met het werkgebied of het grondgebied van de politieregio en dat hij heeft nagelaten in het BPS melding te maken van het nemen van het monster en van het laten beoordelen van dat monster door het Search Laboratorium.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het - thans niet meer ter discussie staande - besluit tot buitenfunctiestelling vernietigd. Zij heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat nu appellant buiten zijn werkgebied gebruik heeft gemaakt van middelen van de politieregio, hij dit op enigerlei wijze had moeten verantwoorden, maar op zijn minst op adequate wijze had moeten melden bij zijn leidinggevenden en tijdig in het BPS moeten registreren. Nu hij in dit opzicht in gebreke is gebleven, heeft hij niet gehandeld zoals van een politieambtenaar had mogen worden verwacht.

3.1. Appellant is van opvatting dat de rechtbank is voorbijgegaan aan al de aan appellant verweten gedragingen en dat, als er meerdere van die gedragingen naar haar oordeel onterecht zouden zijn, dit had moeten leiden tot een opdracht aan de korpsbeheerder tot heroverweging. Verder stelt appellant dat hij van zijn optreden nimmer een geheim heeft gemaakt. Als er niettemin wel aanleiding zou zijn om appellant een verwijt te maken, had de korpsbeheerder in de (vooringenomen) wijze waarop hij appellant in deze kwestie heeft bejegend - gewezen is op de vernietigde buitenfunctiestelling - aanleiding moeten zien af te zien van de strafoplegging.

3.2. De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, het volgende.

4.1. De rechtbank heeft de relevante feiten en omstandigheden, de besluitvorming en de standpunten van partijen zeer uitvoerig weergegeven. Daarbij zijn de belangrijkste aan appellant verweten gedragingen op juiste wijze aan de orde gesteld. Zoals onder 2. is weergegeven, heeft de rechtbank dat gedrag concluderend samengevat en het gekwalificeerd als zodanig plichtsverzuim dat daarvoor de straf van een berisping niet onevenredig is. In de omstandigheid dat appellant bij het primaire of bestreden besluit nog wat meer is verweten, behoefde de rechtbank geen aanleiding te vinden de korpsbeheerder opdracht te geven tot heroverweging.

4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de korpsbeheerder dat appellant ten onrechte heeft nagelaten op deugdelijke wijze melding te maken van zijn activiteiten buiten de politieregio en van het monsteronderzoek. Daaraan kan niet afdoen dat appellant daarvan, naar eigen zeggen, geen geheim heeft gemaakt. Hij wist dat sprake was van een ongebruikelijk optreden (buiten de politieregio) en, omdat hij naar eigen zeggen hierbij handelde voor rekening van de regio Haaglanden, van een ongewone procedure betreffende het monsteronderzoek.

4.3. Ook naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat de korpsbeheerder bij het opleggen van de straf in strijd is gekomen met de regel dat een disciplinaire straf niet onevenredig mag zijn aan de ernst van het plichtsverzuim. Appellant had kunnen en moeten begrijpen dat hij, door het onthouden van informatie aan zijn leidinggevende en het nalaten van registratie van zijn handelen - gegeven ook de context daarvan - in het BPS, handelde in strijd met de van hem te verlangen openheid die van belang is voor zijn eigen functioneren en voor dat van de politieregio. De Raad ziet in de vernietiging door de rechtbank van de buitenfunctiestelling geen strafverminderende omstandigheid. Hij merkt op dat het buiten functie stellen geen straf is, maar een ordemaatregel die, zoals een schorsing in het belang van de dienst, in beginsel neutraal is en niet diffamerend voor de ambtenaar die deze maatregel treft (CRvB 25 mei 2000, LJN AA6846 en TAR 2000, 95).

5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

6. Tot slot ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

Q