Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
06-4341 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming vervoerskosten. Bij bepaling van financiële draagkracht rekening houden met feit dat deel van tot uitbetaling gekomen lijfrente eigen kapitaal is, dat bij het afsluiten van lijfrenteverzekering is ingebracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4341 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 1 juni 2006, kenmerk JZ/L80/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Aldaar is appellant, naar tevoren was bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1924, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de bij appellant aanwezige psychische klachten door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van zijn hartklachten.

Bij besluit van 11 oktober 2000 van verweerster is aan appellant ingaande 1 april 2000 een periodieke uitkering toegekend, welke uitkering niet tot uitbetaling kwam in verband met andere inkomsten van appellant. Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft verweerster aan appellant met ingang van 1 juli 2004 een tegemoetkoming in de kosten voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV) toegekend. Bij berekeningsbeslissing van 28 februari 2006, zoals toegelicht bij schrijven van 17 februari 2006, is deze tegemoetkoming DMV aan de hand van het door appellant ingezonden inlichtingen-formulier vanaf juli 2004 definitief vastgesteld. Hierbij is vastgesteld dat appellant over het jaar juli 2004/juli 2005 58.366,00 dollar aan lijfrente heeft ontvangen, hetgeen omgerekend naar euro’s neerkomt op een bedrag van € 2.879,64 per maand. Op basis van deze gegevens is de voor de hoogte van de tegemoetkoming DMV bepalende financiële draagkracht van appellant vastgesteld. Verweerster heeft hierbij geconstateerd dat aan appellant over de periode van 1 juli 2004 tot 1 februari 2006 een bedrag van € 424,96 teveel is uitbetaald, welk bedrag van appellant wordt teruggevorderd. Een door appellant gemaakt bezwaar heeft geleid tot het thans bestreden besluit, waarbij verweerster bovengenoemde terugvordering heeft gehandhaafd.

Appellant kan zich er niet mee verenigen dat verweerster bij de bepaling van zijn financiële draagkracht geen rekening heeft gehouden met het feit dat een deel van de tot uitbetaling gekomen lijfrente eigen kapitaal is dat door hem bij het afsluiten van deze lijfrenteverzekering is ingebracht. Hij verwijst in dit verband naar de Australische belastingwetgeving, waarbij met deze omstandigheid rekening wordt gehouden.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 21, derde lid, van de Wet wordt een tegemoetkoming in de bijzondere ten laste van de vervolgde blijvende kosten bepaald met inachtneming van de financiële draagkracht van de vervolgde.

In artikel 2 van het Besluit draagkracht vervolgden, KB van 21 juni 1973, Stb. 1973/329, zoals nadien gewijzigd, is bepaald dat bij het bepalen van de financiële draagkracht van de vervolgde als inkomen wordt aangemerkt onder meer de inkomensbestanddelen welke op grond van artikel 19 van de Wet op de uitkering in mindering worden gebracht. Verweerster pleegt inkomsten uit lijfrente met toepassing van artikel 19, eerste lid, onder d, op de periodieke uitkering in mindering te brengen. De Raad heeft in constante jurisprudentie deze handelwijze van verweerster niet onjuist of onredelijk geacht.

Het voorgaande betekent dat de inkomsten uit lijfrente eveneens voor de bepaling van de voor een vervolgde geldende draagkracht als inkomen moeten worden aangemerkt. Verweerster heeft daarbij naar het oordeel van de Raad terecht geen rekening gehouden met de omstandigheid dat een deel van deze inkomsten als een teruggave van eigen kapitaal is te beschouwen, welk deel ingevolge de Australische fiscale wetgeving buiten beschouwing wordt gelaten. Voor de uitvoering van de Wet zijn Nederlandse omstandig-heden en Nederlandse fiscale regels van belang en hierbij is het bruto- inkomen bepalend. Verweerster kan en mag derhalve in het geval van appellant uitgaan van zijn bruto- inkomsten uit lijfrente.

Hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.