Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
06-1296 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding vermogensgrens?

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Algemene bijstandswet 51
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 204
USZ 2007/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1296 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 februari 2006, 2005/1974 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Verhagen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Voor appellant is verschenen mr. Verhagen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B.M. Streppel, werkzaam bij de gemeente Maarssen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en vervolgens ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft in de periode van 16 juni 1997 tot en met 30 augustus 2002 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1], [nummer caravan], te [plaatsnaam]. Vervolgens stond appellant ingeschreven op het zojuist genoemde adres, [nummer caravan 2]. De caravans zijn gelegen op een terrein dat wordt geëxploiteerd door J. van der [K.], aan wie staangeld werd betaald. Appellant heeft aan het College gemeld dat hij woonde in een caravan die hij huurde van zijn moeder voor een bedrag van f 450,--.

Naar aanleiding van een melding van de politie dat bij appellant op 9 augustus 2004 een hennepkwekerij is ontmanteld, heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein op verzoek van het College onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij de politie en bij Eneco, zijn getuigen gehoord en is appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2005.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het College het recht van appellant op bijstand met ingang van 1 januari 2005 opgeschort op de grond dat door het College samen met de sociale recherche onderzoek wordt gedaan naar het recht op uitkering van appellant.

Op basis van het resultaat van het onderzoek heeft het College geconcludeerd dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie, over het feitelijke bezit en de (ver)koop van een tweetal caravans, en over inkomsten uit de kweek van hennep sinds 2003, alsmede dat appellant niet heeft kunnen aantonen hoe hij in staat is geweest maandelijks een bedrag van f 750,-- af te betalen voor een caravan, zodat aannemelijk is dat appellant andere, niet aan het College gemelde, inkomsten heeft gehad.

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft het College op de hiervoor vermelde gronden de bijstand met ingang van 10 juni 1997 ingetrokken, en de over de periode van 10 juni 1997 tot en met 31 december 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 87.673,54 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 19 januari 2005 en 1 februari 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De opschorting

De Raad is van oordeel dat het besluit van 19 januari 2005 moet worden beschouwd als een besluit tot blokkering van de bijstand. Naar vaste rechtspraak is een dergelijke blokkering aanvaardbaar indien sprake is van een gegrond vermoeden dat aan de betrokkene ten onrechte of tot een hoog bedrag bijstand wordt verleend. Die situatie doet zich hier voor, gelet op de melding van de politie over de bij appellant aangetroffen hennepkwekerij en op de (voorlopige) bevindingen van het naar aanleiding van die melding vervolgens ingestelde onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie en de woonsituatie van appellant.

In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

De intrekking

Naar vaste rechtspraak strekt de door de Raad te beoordelen periode zich in dit geval uit over de periode van 16 juni 1997 tot de datum van het primaire besluit (1 februari 2005).

De Raad ziet aanleiding bij de bespreking van de intrekking de volgende periodes te onderscheiden.

De periode van 16 juni 1997 tot 1 september 2000

Het College heeft aan de intrekking van de bijstand over deze periode ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft kunnen aantonen hoe hij in financieel opzicht in staat is geweest tot betaling van een bedrag van f 750,-- per maand aan Van der [K.] wegens afbetaling van [nummer caravan] en staangeld voor deze caravan. De Raad acht deze motivering onvoldoende draagkrachtig. Gelet op de hoogte van de destijds voor appellant geldende bijstandsnorm en de gemeentelijke toeslag, kan niet zonder meer worden gezegd dat appellant niet in staat kan zijn geweest tot betaling van dit bedrag. De Raad neemt in dit verband verder in aanmerking dat, zo is ter zitting van de Raad gebleken, het College zijn vermoeden dat appellant over andere inkomsten dan de bijstandsuitkering moet hebben beschikt, niet heeft gebaseerd op concrete aanwijzingen hieromtrent.

De periode van 1 september 2000 tot 1 maart 2004

Op grond van artikel 51, eerste lid, onder a, van de Abw en artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of [nummer caravan] en [nummer caravan 2] dienen te worden gerekend tot het vermogen van appellant.

Niet in geschil is dat appellant gedurende de hier aan de orde zijnde periode het exclusieve gebruik van achtereenvolgens [nummer caravan] en [nummer caravan 2] had. Appellant heeft tegenover de betrokken opsporingsambtenaren verklaard dat hij via huurkoop eigenaar is geworden van [nummer caravan], na betaling van alle aflossingsbedragen aan Van der [K.], met dien verstande dat hij vindt dat zijn moeder mede-eigenaar is omdat zij ook aflossingstermijnen heeft betaald, welke hij nog aan haar moet terugbetalen. De moeder van appellant heeft verklaard dat appellant eigenaar is van [nummer caravan]. Van der [K.] is vier maal door de sociale recherche gehoord. Hij heeft steeds verklaard dat appellant eigenaar is van deze caravan, ook nadat hij een huurkoopcontract had gevonden dat op naam van de moeder van appellant was gesteld. Daarbij heeft Van der [K.] meegedeeld dat appellant de koopsom voor [nummer caravan] op 1 oktober 2000 geheel had afgelost, waarna hij formeel eigenaar is geworden.

Appellant en zijn moeder zijn op hun aanvankelijke verklaringen teruggekomen door te stellen dat [nummer caravan] eigendom is van de moeder van appellant. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van verklaringen die zijn opgenomen in een door opsporingsambtenaren op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, en komt in het algemeen aan het achteraf intrekken van een dergelijke verklaring weinig betekenis toe. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De verklaringen zijn op het punt van de eigendom van [nummer caravan] zonder meer consistent. Verder blijkt de beschikkingsbevoegdheid van appellant ten aanzien van [nummer caravan] uit het feit dat hij in 2002 met de eigenaar van [nummer caravan 2] is overeengekomen dat deze caravans met gesloten beurzen zouden worden geruild. Noch de moeder van appellant noch Van der [K.], die - naar ter zitting van de zijde van appellant nog is aangevoerd - eigenaar van de caravans zou zijn, heeft deze bevoegdheid van appellant betwist. De Raad neemt in dit verband ten slotte in aanmerking dat het College in beroep onweersproken heeft gesteld dat appellant over de periode van 16 juni 1997 tot en met 31 december 2004 voor de onroerende zaakbelasting bij de gemeente stond geregistreerd als zakelijk gerechtigde van achtereenvolgens [nummer caravan] en [nummer caravan 2] en uit dien hoofde werd aangeslagen voor het eigenaarsdeel.

Vaststaat dat appellant niet aan het College heeft gemeld dat hij vanaf 1 september 2000 eigenaar is van een caravan. Hij heeft immers aan het College opgegeven dat hij woonde in een caravan die hij huurde van zijn moeder. Het gaat hier om een gegeven waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Dat betekent dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Voor de beantwoording van de vraag of deze schending tot gevolg heeft gehad dat aan appellant over de gehele hier aan de orde zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend, is van belang of appellant gedurende de hier aan de orde zijnde periode over het in - achtereenvolgens - [nummer caravan] en [nummer caravan 2] gebonden vermogen redelijkerwijs kon beschikken. Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Met betrekking tot het in de caravans gebonden vermogen betekent dit dat die caravans kunnen worden beschouwd als in aanmerking te nemen bezitting waarover appellant beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, indien vaststaat dan wel redelijkerwijs aannemelijk is dat appellant deze op 1 september 2000 of in de daarop volgende periode had kunnen verkopen. De Raad is van oordeel dat, aangezien appellant in deze caravans woonde, hij deze niet zonder meer onmiddellijk te gelde kon maken teneinde de opbrengst ervan te gebruiken voor de bestrijding van de noodzakelijke bestaanskosten. Het College heeft geen onderzoek gedaan naar de vraag of (onmiddellijke) tegeldemaking in de situatie waarin appellant verkeerde in redelijkheid van hem kon worden verlangd. Evenmin heeft het College bezien of, met instandlating van het recht van appellant op bijstand als zodanig, de vorm waarin de bijstand is verleend (achteraf) kon worden gewijzigd. In dit verband merkt de Raad nog op dat, zo is ter zitting gebleken, het College voor de bijstandverlening aan appellant voor de toekomst overweegt deze in de vorm van een geldlening te verstrekken, met inachtneming van de waarde van de caravan waarin appellant thans woont.

De Raad komt tot de conclusie dat de intrekking van de bijstand over deze periode ook geen stand kan houden.

De periode van 1 maart 2004 tot 9 augustus 2004

Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant zich niet (langer) verzet tegen de intrekking van de bijstand over deze periode.

De periode vanaf 9 augustus 2004

Vaststaat dat de hennepkwekerij van appellant op deze datum door de politie is ontmanteld. Het College heeft niet gesteld dat appellant nadien nog over inkomsten of vermogen beschikte verband houdende met de kweek van hennep. Dat betekent dat zich vanaf 9 augustus 2004 in wezen dezelfde situatie voordoet als in de periode van 1 september 2000 tot 1 maart 2004. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent die periode is overwogen, is de Raad van oordeel dat de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 9 augustus 2004 geen stand kan houden.

De Raad komt met betrekking tot de intrekking van de bijstand tot de conclusie dat deze, behoudens voor zover het betreft de periode van 1 maart 2004 tot 9 augustus 2004, niet berust op een deugdelijke motivering of op het resultaat van een deugdelijk onderzoek omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 10 juni 2005 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 10 juni 1997 tot 1 maart 2004 en over de periode vanaf 9 augustus 2004.

De terugvordering

Uit het voorafgaande volgt dat de terugvordering geen stand kan houden. Een terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één daarin te vermelden bedrag dat van de betrokkene wordt teruggevorderd. Dit klemt temeer nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert. Hierbij tekent de Raad nog aan dat, zoals door de vertegenwoordiger van het College ter zitting is erkend, de terugvordering over de periode van 16 juni 1997 tot 1 juli 1997 reeds ingevolge de vervaltermijn van artikel 87, eerste lid (oud), van de Abw niet in stand kan blijven.

Slotoverwegingen

Gelet op het voorgaande zal de Raad het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2005 voor zover dat ziet op de intrekking en de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij mag het College ervan uitgaan dat over de periode van 1 maart 2004 tot 9 augustus 2004 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep ten bedrage van telkens € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 juni 2005, voor zover het betreft de intrekking - met uitzondering van de periode van 1 maart 2004 tot 9 augustus 2004 - en de terugvordering;

Bepaalt dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Maarssen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Maarssen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jörg.

RB1104