Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-1578 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief aan te merken als besluit? Bezwaar gericht tegen besluit tot boete oplegging? Heeft bestuursorgaan adequaat gereageerd? Kennelijke misslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1578 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 januari 2005, 04/912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft betrokkene bij brief van 16 maart 2004 medegedeeld dat hij het voornemen heeft hem een boete van € 66,00 op te leggen wegens schending van de mededelingsverplichting in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). Betrokkene wordt de gelegenheid geboden binnen twee weken kenbaar te maken of hij terzake gehoord wil worden. Bij geen reactie zal een besluit met betrekking tot de boete volgen, waartegen betrokkene desgewenst bezwaar kan maken.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft appellant onder verwijzing naar de brief van

16 maart 2004 de genoemde boete opgelegd.

Namens betrokkene is op 15 april 2004 een bezwaarschrift aan appellant gezonden. Hierin is kenbaar gemaakt dat bezwaar wordt gemaakt tegen de beslissing d.d.

16 maart 2004 tot terugvordering van te veel betaalde toeslag op grond van de Toeslagenwet. Tevens is hierin onder meer aangegeven:

“… Op 16 maart jl. heeft u het voornemen geuit tot boete-oplegging in verband met schending van de mededelingsverplichting. (….)

Mijn cliënt heeft wel degelijk aan deze mededelingsverplichting voldaan. (….)

Mijn cliënt is het ook niet eens met uw voornemen een boete op te leggen (….)

Volgens mijn cliënt is er sprake van miscommunicatie. In ieder geval zijn er dringende redenen om geheel af te zien van de terugvordering en het opleggen van een boete.

Namens mijn cliënt verzoek ik u de beslissing waarvan bezwaar te herzien en opnieuw te bepalen dat mijn cliënt niet tot terugvordering verplicht is en dat aan hem geen boete wordt opgelegd. (….)”

Als bijlage is bij het bezwaarschrift het betreffende terugvorderingsbesluit gevoegd, niet het besluit waarmee de boete is opgelegd.

Bij besluit van 2 juli 2004 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene opgegrond verklaard. Ten aanzien van het bezwaar in relatie tot de opgelegde boete overweegt appellant daarbij:

“Voor zover u het niet eens bent met het voornemen om een boete op te leggen dan had u daarop binnen veertien dagen na dagtekening van de betreffende brief kunnen reageren. Daarnaast had u nog de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing waarbij definitief over het opleggen van een boete is beslist. Van beide mogelijkheden heeft u echter geen gebruik gemaakt. Tenslotte merken wij nog op dat de vraag of u al dan niet (tijdig) aan uw mededelingsverplichting heeft voldaan voor de onderhavige beslissing geen rol speelt”.

In beroep is namens betrokkene aangevoerd, dat hij met betrekking tot de opgelegde boete heeft voldaan aan zijn mededelingsverplichting. Blijkens de aan het proces/verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank gehechte pleitnota van de raadsman van betrokkene, heeft deze ter zitting onder meer aangevoerd:

“Met betrekking tot de boete/oplegging kan het navolgende worden opgemerkt. Tegen de oplegging van de boete is, gezien het feit dat het besluit dateert van

5 april en het bezwaarschrift van 15 april, tijdig bezwaar gemaakt. Het feit dat niet is gereageerd op het voornemen tot boeteoplegging, doet daar niet aan af. In de beslissing op bezwaar (...) is het UWV ingegaan op het bezwaar ten aanzien van de opgelegde boete. Tegen genoemde beslissing is beroep ingesteld, waardoor de boetebeslissing thans ter beoordeling staat van uw rechtbank.”

Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank, gelet ook op de ter zitting in beroep gegeven uitleg, tot de conclusie gekomen dat het bezwaarschrift van betrokkene mede geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit d.d. 5 april 2004 waarbij de boete aan betrokkene is opgelegd, waardoor dat besluit onderdeel uitmaakt van het geding. De rechtbank concludeert in het kader van de toetsing van het bestreden besluit vervolgens, dat appellant heeft verzuimd om het primaire besluit van 5 april 2004 te heroverwegen en dat appellant bij het bestreden besluit derhalve niet adequaat heeft gereageerd op de bezwaren van betrokkene tegen het opleggen van de boete. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre, en draagt appellant op om alsnog op de bezwaren te beslissen, onder veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene en met bepaling dat hem het griffierecht dient te worden vergoed.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat de rechtbank aldus beslissende is getreden buiten de omvang van het geding. Appellant meent dat uit het bezwaarschrift niet kan worden afgeleid dat betrokkene de bedoeling heeft gehad bezwaar te maken tegen het besluit van 5 april 2004. Een afschrift van die beslissing is ook niet bij het bezwaarschrift gevoegd, alleen een afschrift van de terugvorderings-beslissing. Appellant stelt dat bij het bestreden besluit aldus terecht alleen is beslist op de bezwaren tegen de terugvorderingsbeslissing. Betrokkene heeft ook geen beroep ingesteld tegen de weigering om op het bezwaar tegen de boete te beslissen. Voorts heeft appellant aangevoerd, dat de rechtbank heeft verzuimd om het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren.

De Raad overweegt als volgt.

Het voornemen d.d. 16 maart 2004 kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op de tekst van de betreffende brief had betrokkene dat ook niet redelijkerwijs als een besluit kunnen opvatten. Bij brief van

5 april 2004 is aan betrokkene wel het besluit tot oplegging van de boete kenbaar gemaakt.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het bezwaarschrift d.d.

15 april 2004 had dienen op te vatten als mede te zijn gericht op laatstgenoemd besluit.

Inderdaad was het genoemde besluit niet bij het bezwaarschrift gevoegd, en refereerde de gemachtigde van appellant aan het voornemen. Nu echter inmiddels door appellant een besluit was genomen, had appellant uit de gebruikte bewoordingen in het bezwaarschrift moeten begrijpen dat betrokkene het niet eens was met de opgelegde boete en daartegen bezwaar wenste te maken. Voorzover daaromtrent bij appellant nog enige twijfel zou hebben bestaan, had appellant (bij de raadsman van betrokkene) om opheldering kunnen vragen. Dit is echter niet gebeurd, blijkens het betreffende verslag ook niet tijdens de hoorzitting.

Appellant is derhalve ten onrechte niet overgegaan tot een inhoudelijke heroverweging van het besluit van 15 april 2004. Het had in de rede gelegen dat dat bij het bestreden besluit wel was gebeurd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd, nu appellant niet adequaat op de bezwaren van betrokkene heeft gereageerd.

Het hoger beroep van appellant slaagt daarom niet.

Overigens blijkt uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak, dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de terugvorderingsbeslissing, ongegrond acht. Dat de rechtbank dit per abuis niet in het dictum van de aangevallen uitspraak heeft vermeld, beschouwt de Raad als een kennelijke misslag en vormt geen aanleiding om de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand te laten.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) C.D.A. Bos.

JL