Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-3962 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Functieduiding in relatie tot gehoorproblemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3962 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2005, 04/2027 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellantes bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2004, waarbij appellantes uitkering ingevolge met ingang van 22 mei 2003 de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken is.

Bij besluit van 23 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 16 juni 2004 gewijzigd in die zin dat het bezwaar tegen het besluit van

21 maart 2003 alsnog gegrond is verklaard en de uitkering van appellante met ingang van 22 mei 2003 is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen op de in geding zijnde datum geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft in de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat aan het Uwv een juist beeld voor ogen heeft gestaan met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellante en de daaruit voor haar van toelatende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

De van de zijde van appellante in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante is de mening toegedaan dat er geen wijziging in haar klachtenpatroon opgetreden is ten opzichte van de periode waarin ze nog wel een volledige WAO-uitkering ontving. Zij acht zichzelf nog steeds volledig arbeidsongeschikt. Appellante is van mening dat het medisch onderzoek onzorgvuldig verlopen is en dat er te weinig of geen rekening gehouden is met haar hyperventilatie klachten en met haar gehoorverlies links.

De Raad stelt in eerste plaats vast dat het hoger beroep van appellante zich enkel richt tegen de ongegrond verklaring door de rechtbank van het beroep van appellante “voor het overige”, dat wil zeggen; voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de in opdracht van bezwaarverzekeringsarts

J.L. Waasdorp uitgevoerde expertise door psychiater B. Oskam. Deze komt in zijn rapport van 28 januari 2004 tot de conclusie dat bij het onderzoek van appellante geen psychiatrische beperkingen zijn te objectiveren. Bij het onderzoek blijkt verder dat appellante op de diverse levensterreinen zonder noemenswaardige belemmeringen functioneert.

Voor wat betreft appellantes gehoorproblemen en het in hoger beroep door haar overlegde audiogram kan de Raad zich vinden in het dienaangaande gestelde door bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in zijn rapport van 4 november 2005. Volgens de bezwaarverzekeringsarts toont het audiogram een zeer licht verminderd gehoor rechts en een duidelijk verminderd gehoor links vooral in de hoge tonen. Appellante zal zeker een verminderde spraakverstaanbaarheid kennen voor wat betreft het linker oor. Echter aangezien dit gecompenseerd zal worden met een vrij goed gehoor rechts zal grosso modo, aldus genoemde bezwaarverzekeringsarts, de spraakverstaanbaarheid niet fors zijn afgenomen. In een lawaaierige situatie zal de spraakverstaanbaarheid echter navenant dalen.

De bezwaarverzekeringsarts stelt vast dat in de geduide functies “magazijnmedewerker, expeditiemedewerker” en “machinebediende” appellante wordt blootgesteld aan machinelawaai, dat overigens conform bepalingen uit de Arbowet het geluidsnivo van 85 dB niet te boven zal gaan. In deze functies worden geen eisen gesteld aan de communicatie. Speciale maatregelen kunnen worden getroffen om mondelinge instructies adequaat te ontvangen. De extra gehoorbeperkende factor van het machinelawaai wreekt zich niet in deze functies. De functie “produktiemedewerker industrie” wordt uitgeoefend in een relatief lawaai-arme omgeving (er is geen bijzondere belasting in de vorm van machinelawaai). Het aanhoren van mondelinge werkinstructies zal daarin niet tot problemen leiden. Communicatie met collega’s is geen functie-eis.

De Raad is van oordeel, mede dat op evenvermelde reactie van de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de nog nader ingebrachte gehoorproblemen van appellante, dat de aan de schatting van grondslag gelegde functies als passend voor haar kunnen worden aanvaard.

Ten aanzien van de door appellante geclaimde schade in verband met de omstandigheid dat zij zich, als gesteld, ten gevolge van het nemen van het bestreden besluit genoodzaakt voelde een belastingadviseur in de arm te nemen verwijst de Raad naar het verhandelde ter zitting waarin het Uwv de toezegging heeft gedaan deze claim van appellante, indien ze deze nader aan de hand van concrete gegevens onderbouwt, in behandeling te nemen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellante geen doel treft.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL