Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-4248 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering ivm teveel inkomsten. Redelijkerwijs duidelijk dat te veel uitkering werd betaald? Deugdelijke motivering?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4248 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juni 2005, 04/843 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Appellante is verschenen bij haar broer M.A. Filius, wonende te Culemborg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is sedert 1 maart 1989 gedurende 36 uur per week als groepsleidster werkzaam geweest bij de [naam Stichting]. Zij is op 20 april 1999 met visusklachten uitgevallen. Bij het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken is haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf september 2000 heeft appellante haar werkzaamheden, aanvankelijk voor 16 uur en per 18 april 2001 voor 24 uur per week, op arbeidstherapeutische basis hervat. Per 1 juni 2001 heeft appellante haar werkzaamheden in deze omvang voortgezet en is daaraan een hiermee corresponderende loonwaarde toegekend. Deze gang van zaken is in nauw overleg met de werkgever en de arbeidsdeskundige H.M. Korstanje geëffectueerd en vastgelegd in diens rapport van 29 april 2002. Bij brief van 22 mei 2002 is appellante door de arbeidsdeskundige ervan in kennis gesteld dat, rekening houdend met haar medische beperkingen, er voor haar onvoldoende geschikte arbeidsmogelijkheden waren gevonden en dat geen sprake was van resterende verdiencapaciteit. Uitgaande van de verdiensten als groepsleidster gedurende 24 uur per week heeft de arbeidsdeskundige een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 38,42% en appellante bericht dat zij onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt was, maar dat met toepassing van artikel 44 van de WAO haar uitkering zou worden betaald als ware zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt. De werkgever is bij brief van gelijke datum hiervan in kennis gesteld. Bij besluit van 17 juni 2002 heeft het Uwv, met verwijzing naar voormelde brief van

22 mei 2002 van de arbeidsdeskundige aan appellante, per 1 juni 2001 overeenkomstig besloten.

Bij rapport van 18 februari 2004 is de arbeidsdeskundige A.C. van Londen na overleg met de werkgever tot de conclusie gekomen dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid op circa 29% lag in plaats van het door de arbeidsdeskundige Korstanje berekende percentage van 38,42. Hierop is bij besluit van 12 maart 2004, onder vervallenverklaring van het besluit van 17 juni 2002, met terugwerkende kracht tot 1 juni 2001 besloten met toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering van appellante te betalen als ware zij 25 tot 35% arbeidsongeschikt. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 1 november 2004 is het besluit van 12 maart 2004 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante onder meer aangevoerd dat het haar in het geheel niet duidelijk kon zijn dat zij (in verhouding tot haar arbeidsongeschiktheidspercentage) teveel inkomsten had. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de werkgever in het overleg met de arbeidsdeskundige Van Londen heeft vermeld dat de aan appellante verstrekte salarisstroken een verwarrend beeld gaven van de vaststelling van haar inkomen.

Bij verweerschrift heeft het Uwv aangevoerd wel begrip te hebben voor de stelling van appellante dat de herziening van de uitkering onredelijk en onbillijk zou zijn, maar niettemin haar standpunt gehandhaafd omdat appellante heeft kunnen constateren dat de uitkering samen met haar salaris het voor haar gebruikelijke inkomen te boven ging.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad vergt het beginsel van de rechtszekerheid dat de toepassing van de anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen niet kan plaatsvinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene wist, dan wel redelijkerwijs kan worden geacht te weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval een dergelijke uitzonderingssituatie zich niet voordoet.

Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de inkomsten uit arbeid van appellante per maand een wisselende omvang hadden als gevolg van uit de aard van het werk als groepsleidster voortvloeiende onregelmatigheidstoeslagen. Uit de vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het noodzakelijk is dat het Uwv bij de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid bij wisselende inkomsten een vergelijking maakt van het maatmaninkomen per maand en het feitelijk per maand genoten inkomen. Naar aan het aan het besluit van 17 juni 2002 ten grondslag liggende rapport van 22 mei 2002 van de arbeidsdeskundige Korstanje valt te ontlenen, is die methode niet gevolgd en is volstaan met een globale berekening, waarbij variaties per maand niet zijn verdisconteerd. Op basis hiervan is het percentage van 38,42 berekend en is de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 35 tot 45%. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende berekening is eveneens ervoor gekozen geen berekening per maand te maken maar te volstaan met een globale berekening over de hele vanaf 1 juni 2001 in aanmerking genomen periode. Aldus heeft het Uwv niet per maand nagegaan of, en zo ja in welke mate, de variërende arbeidsinkomsten van appellante op het arbeidsongeschiktheidspercentage van invloed waren.

Daarbij komt dat ter zitting van de Raad van de zijde van het Uwv is beaamd dat bij een berekening per maand sprake is van zodanig wisselende arbeidsongeschiktheidspercentages dat indeling in verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen het gevolg is. Voor de periode oktober 2003 tot en met mei 2004 heeft de arbeidskundige Van Londen een dergelijke berekening gemaakt. Daaruit blijkt dat in die maanden de arbeidsongeschiktheidsklasse varieerde van 15 tot 25%, 25 tot 35% en 35 tot 45%. Ter zitting heeft het Uwv in dit verband bevestigd dat ook over de voorgaande maanden een dergelijke variatie in arbeidsongeschiktheidsklassen zich voordeed. Bij een precieze berekening zou, aldus de gemachtigde van het Uwv, evenwel blijken dat appellante bij een berekening per maand van de vigerende arbeidsongeschiktheidsklasse geen belang heeft, omdat zij alsdan merendeels in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 25 tot 35% zou moeten worden ingedeeld en slechts in een enkele maand in een hogere.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend komt de Raad tot de slotsom dat het Uwv bij het thans bestreden besluit slechts veronderstellenderwijs de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 25 tot 35% en dat niet blijkt dat dit percentage voor de gehele periode waarover artikel 44 van de WAO is toegepast, juist is.

Aan appellante kan in zo’n geval bezwaarlijk worden tegengeworpen dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij teveel uitkering ontving, nu bij die wisselende inkomsten niet per maand is vastgesteld dat sprake is van zodanige inkomsten dat die tot wijziging leiden van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in die zin dat daarvan een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse het gevolg is. Ook is niet voor elke maand dat een berekening uitwijst dat sprake is van een verlaging van de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse, nagegaan of het voor appellante, lettend op de over die maand ontvangen inkomsten, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij teveel ontving.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag ontbeert en dat dit deswege met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van proceskosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

TM