Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-1940 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuwe gedingstukken nadat reeds toestemming voor afhandeling buiten zitting was gegeven. Uitspraak rechtbank niet rechtsgeldig tot standgekomen. WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1940 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2005, 04/1605 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op het verweerschrift gereageerd, nadere stukken ingezonden en om informatie verzocht.

Appellante heeft bij brief van 28 februari 2007 de gronden van haar hoger beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad ziet in dit geding aanleiding om in de eerste plaats te onderzoeken of de aangevallen uitspraak van de rechtbank op juiste wijze tot stand is gekomen. Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

Bij brieven van respectievelijk 3 juli 2004 en 13 juli 2004 hebben partijen desgevraagd aan de rechtbank toestemming verleend om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 12 juli 2004 een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts van

28 juni 2004 ingezonden, waarop appellante heeft gereageerd bij brief van 17 juli 2004. Daarna heeft het Uwv bij brief van 25 augustus 2004 een rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige van 13 augustus 2004 ingezonden, waarop appellante heeft gereageerd bij brief van 10 september 2004.

De rechtbank heeft vervolgens de aangevallen uitspraak gewezen.

Naar de Raad vaker van zijn opvatting heeft doen blijken staat het de rechter, in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. De rechtbank heeft na toevoeging van de hiervoor genoemde stukken aan het procesdossier partijen niet opnieuw om toestemming in de zin van artikel 8:57 van de Awb verzocht, terwijl een dergelijke toestemming door partijen ook anderszins niet is gegeven.

Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb en derhalve niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, nu nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Wat de zaak ten gronde betreft overweegt de Raad als volgt.

Appellante is in augustus 1995 wegens klachten van depressieve aard uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang verrichte werkzaamheden als medewerkster op een reisbureau. In aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken is haar met ingang van 12 november 1996 een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft het Uwv appellantes WAO-uitkering met ingang van 5 augustus 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Uit de onderliggende verzekeringsgeneeskundige rapportage van B.M.E. Mees komt naar voren dat de depressieve klachten van appellante waren afgenomen. Tevens was sprake van toegenomen lichamelijke klachten in de vorm van - in het bijzonder - (spier)pijnklachten en vermoeidheidsklachten. Als diagnose is genoemd een depressieve persoonlijkheid en fibromyalgie. Blijkens door de huisarts verstrekte informatie is deze laatste diagnose in het jaar 2000 bij appellante gesteld. Er is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin verschillende beperkingen op lichamelijk en psychisch gebied zijn aangenomen. De arbeidsdeskundige heeft, uitgaande van deze FML, diverse zijns inziens voor appellante passende functies geselecteerd. Met die functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat ten opzichte van het maatgevende loon sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van circa 18%, overeenkomend met indeling in de klasse 15 tot 25%.

De bezwaarverzekeringsarts heeft zich met de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling kunnen verenigen.

Bij besluit van 22 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv hierop het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 augustus 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verkaard.

In hoger beroep heeft appellante haar eerder naar voren gebrachte grieven staande gehouden. Zij blijft van mening dat zij als gevolg van het geheel van haar psychische en lichamelijke klachten, in het bijzonder de klachten die voortvloeien uit de fibromyalgie, niet langer in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid. Appellante stelt hierbij dat zij niet de dupe mag worden van het feit dat fibromyalgie wetenschappelijk nog niet aantoonbaar is.

De Raad overweegt in de eerste plaats, naar aanleiding van hetgeen appellante op dat punt heeft aangevoerd, dat hij appellante niet kan volgen in haar stelling dat de bij de schatting tot uitgangspunt genomen FML is opgesteld door een andere verzekeringsarts (S. Tewarie) dan de arts (B.M.E. Mees) die haar heeft onderzocht. Mees heeft de FML handmatig ingevuld, waarna Tewarie de door Mees ingevulde FML in de computer heeft ingebracht. Dit verklaart waarom op door de computer gegeneerde versie van de FML de naam van de verzekeringsarts Tewarie en niet die van Mees voorkomt. Tewarie heeft bij invoering in de computer de door Mees aangegeven beperkingen alle overgenomen en heeft aldus, anders dan appellante kennelijk meent, geen eigen medische oordeel daarvoor in de plaats gesteld. Ook anderszins heeft de Raad geen aanknopingspunten om (de totstandkoming van) het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige oordeel niet als voldoende zorgvuldig aan te merken.

Voorts overweegt de Raad dat naar zijn vaste rechtspraak het in de arbeidsongeschiktheidswetgeving neergelegde arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens in ogenschouw nemend, is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat ten aanzien van appellante op lichamelijk en/of psychisch vlak aantoonbaar sprake is van ernstiger beperkingen dan de beperkingen die reeds door de verzekeringsartsen voor haar van toepassing zijn geacht. Nadere gegevens met betrekking tot haar psychische en/of lichamelijke gezondheidssituatie die aanleiding zouden kunnen geven tot een andersluidend oordeel, zijn door appellante ook in hoger beroep niet ingebracht.

Wat betreft de psychische klachten van appellante merkt de Raad nog op dat, als hiervoor reeds vermeld, bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek was gebleken dat deze klachten, in vergelijking met de situatie daarvoor, waren afgenomen. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen aangetroffen om deze conclusie niet voor juist te houden.

Naar aanleiding van hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot haar lichamelijke klachten - in het bijzonder haar pijn- en vermoeidheidsklachten - overweegt de Raad dat er geen ruimte bestaat om, zonder in strijd te komen met het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip, louter op grond van de classificatie van dergelijke subjectieve klachten als fibromyalgie, (meer) arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

Nu aldus voor de eigen subjectieve opvatting van appellante inzake de uit haar gezondheidssituatie voortvloeiende arbeidsbeperkingen een genoegzame objectief-medische onderbouwing ontbreekt, komt de Raad tot de slotsom dat appellantes beperkingen door het Uwv niet zijn onderschat. Daarvan uitgaande heeft de Raad evenmin aanleiding voor het oordeel dat appellante op de in geding zijnde datum buiten staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de in aanmerking genomen functies.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MR