Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-4275 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Deugdelijke medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4275 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]r (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 mei 2005, 04/5326 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellante nog enige haar gezondheidstoestand betreffende medische informatie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Vink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk. Ter zitting heeft het Uwv - met toestemming van appellante - op de op 19 maart 2007 ingezonden medische informatie een commentaar van 29 maart 2007 van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus overgelegd.

II. OVERWEGINGEN

Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 5 november 2004 heeft het Uwv zijn besluit van 23 december 2003 gehandhaafd waarbij de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

20 januari 2004 is ingetrokken. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan haar voorgehouden functies. Met die functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat, dat er geen grond is om aan te nemen dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt en dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat de betrokken verzekeringsartsen haar medische beperkingen, die verband houden met het bij haar na enige auto-ongevallen bestaande post whiplashsyndroom, hebben onderschat en dat de rechtbank voor haar oordeelsvorming ten onrechte neurologisch en psychiatrisch onderzoek achterwege heeft gelaten. Daarbij heeft appellante gewezen op een in het kader van een letselschadezaak uitgebracht rapport van 26 september 2000 van de neurochirurg

dr. P.H.J.M. Elsenburg, verbonden aan het Neuro-Orthopaedisch Centrum (hierna: NOC), in samenhang met het daarbij behorende rapport van de neuropsycholoog R. Heijt. Ook heeft appellante gewezen op de omstandigheid dat haar huisarts haar op 5 oktober 2004 heeft verwezen naar het psycho-medisch centrum Parnassia. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de belasting in de geduide functies haar belastbaarheid overschrijdt. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante bij brief van 19 maart 2007 inlichtingen ingezonden afkomstig van de neuroloog A.L. Strikwerda, de revalidatiearts

J.G.M. Rutten, de huisarts J.A.M. Ton en de (sport)fysiotherapeut P. Slinger.

Het Uwv heeft zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt bij verweerschrift gehandhaafd onder overlegging van een rapport van 7 september 2005 van de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever. Ter zitting heeft het Uwv, onder overlegging van een rapport van 29 maart 2007 van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus, waarbij deze reageert op de bij brief van 19 maart 2007 ingezonden informatie, aangevoerd geen aanleiding te zien voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellante is overschat.

De Raad ziet in al hetgeen in hoger beroep is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de betrokken verzekeringsartsen geen goed beeld hebben gehad van de belastbaarheid van appellante ten tijde hier in geding.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts E.C. van der Eijk appellante in het kader van een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid op

29 september 2003 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en blijkens zijn rapport ervan op de hoogte was dat appellante in 2002 en augustus 2003 opnieuw bij auto-ongevallen betrokken was geweest met meerdere whiplashtraumata. De verzekeringsarts heeft de nek- en schouderklachten van appellante medisch objectiveerbaar geacht en van de overige klachten (hoofdpijn, vermoeidheid en concentratie- en geheugenproblemen) opgemerkt dat die consistent worden gepresenteerd en kunnen passen bij een dergelijk ziektebeeld. Op basis hiervan heeft de verzekeringsarts appellante in staat geacht gedurende hele dagen werkzaamheden te verrichten die licht van aard zijn en de nek niet zwaar belasten. Stresserende arbeid dient vermeden te worden. In het bijzonder wordt appellante beperkt geacht in haar mogelijkheden om haar hoofd langdurig in dezelfde stand te houden, ongehinderd het hoofd te bewegen, langdurig te werken met toetsenbord en muis, frequent reiken, klimmen en boven schouderhoogte werken. Dragen, tillen, duwen en trekken mag slechts met betrekking tot lichte lasten. Schok- en trilbelasting mag niet op de nek voorkomen. Voorts is appellante aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken in een relatieve rustige werkomgeving. Ten slotte heeft de verzekeringsarts vermeld dat er binnen drie maanden geen aanzienlijke veranderingen zijn te verwachten en dat met behulp van revalidatietherapie op lange termijn een toename van de mogelijkheden om arbeid te verrichten bereikbaar zou kunnen zijn.

De bezwaarverzekeringsarts is na kennisneming van de in de bezwaarfase bekend geworden medische gegevens van de huisarts, de behandelend neuroloog Strikwerda en de rapportage van het NOC bij rapport van 20 maart 2003 gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts de medische beperkingen van appellante in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist had weergeven. Voor een medische urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts geen reden gezien, omdat appellante niet om medische redenen verplicht is een deel van de dag te rusten of een medische behandeling te volgen. In passend werk, waarbij rekening wordt gehouden met de opgestelde beperkingen, is een medische urenbeperking niet noodzakelijk.

Uit het hiervoor weergegevene leidt de Raad af dat de betrokken verzekeringsartsen bij het opstellen van de medische beperkingen rekening hebben gehouden met de bij appellante bestaande klachten als gevolg van een post whiplashsyndroom. Ook het NOC en de behandelende medici gaan van het bestaan van dit syndroom uit. Aan die gegevens valt evenwel niet te ontlenen dat appellante ernstiger beperkt moet worden geacht dan bij het bestreden besluit is aangenomen. De bezwaarverzekeringsartsen Wever en Keus hebben in hoger beroep alle ingezonden gegevens (nogmaals) beoordeeld en hebben geen aanleiding gezien de eerdere inschatting van appellantes mogelijkheden voor onjuist te houden.

Met betrekking tot de verwijzing van appellante in oktober 2004 door de huisarts naar Parnassia overweegt de Raad dat deze te maken had met de vraag of sprake was van depressieve klachten bij appellante. Aan de inlichtingen van de huisarts valt te ontlenen dat Parnassia in november 2004 dacht aan een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Aan de brief van 27 februari 2007 van de neuroloog Strikwerda ontleent de Raad dat de therapie van Parnassia heeft bestaan uit een begeleidingsprogramma voor mensen met chronische benigne (goedaardige) pijnklachten. Gelet hierop en de omstandigheid dat de verwijzing van de huisarts naar Parnassia eerst negen maanden na de datum in geding heeft plaatsgevonden, ziet de Raad daarin onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat appellante meer of ernstiger psychisch beperkt is dan in de FML is omschreven.

Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies uit medisch oogpunt voor appellante niet geschikt zijn te achten.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. In dit oordeel ligt besloten dat de Raad het niet noodzakelijk acht zich door een neuroloog en een psychiater, gelijk door appellante is verzocht, omtrent haar gezondheidstoestand en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten nader te laten voorlichten.

Nu geen andere grieven zijn aangevoerd, komt de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MK