Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-2212 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2212 WAO (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 maart 2005, 04/714,

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak door mr. M. de Miranda, advocaat te Amsterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 14 februari 2006 en 22 maart 2007 heeft appellant de gronden nader aangevuld en stukken toegezonden.

Bij schrijven van 20 maart 2006 heeft het Uwv nadere stukken ingezonden, waaronder een arbeidskundige toelichting op de geschiktheid van de geduide functies. Bij brief van 3 april 2007 heeft het Uwv gereageerd op de brief van 22 maart 2007.

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 6 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Miranda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 2 april 2004 tot handhaving van zijn besluit van 27 oktober 2003. Bij het besluit van 27 oktober 2003 is de eerder aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 15 december 2003 beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant, hoewel hij door rug- en schouderklachten niet langer in staat is tot het verrichten van zijn werkzaamheden als (bloemen-) veilingmedewerker, met passende werkzaamheden ten minste 85% van zijn zogenaamde maatmanloon kan verdienen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad zal, in weerwil van de bezwaren van appellant, de brief van 3 april 2007 met bijlagen van het Uwv in zijn oordeelsvorming betrekken. Weliswaar is deze brief binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn ingezonden, maar de brief is mede een reactie op de kort voor die termijn door appellant ingezonden stukken. Die door appellant ingezonden stukken dateren van ruimschoots vóór 22 maart 2007. Appellant heeft desgevraagd uitdrukkelijk afgezien van de mogelijkheid van een vervolgzitting en ter zitting blijk gegeven adequaat op de door het Uwv ingezonden brief met bijlagen te kunnen reageren.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voor appellant op 15 december 2003 bestaande, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de besluitvorming van het Uwv niet zijn onderschat. Appellant heeft geen medische informatie in het geding gebracht die aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts doen twijfelen.

Aanvankelijk waren deze beperkingen deels in de toelichtingen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verborgen, maar dit is met de brief van 3 april 2007 hersteld. De aan de hand van deze aangepaste FML gegeven arbeidskundige toelichting heeft de Raad er van overtuigd dat de belasting in het merendeel van geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overtreft.

De Raad ziet in dit alles aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen, het inleidende beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen er van in stand te laten.

Het Uwv zal in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg en € 644,- voor de procedure in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 140,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) C.D.A. Bos.