Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05/1231 WAO, 07/1894 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Bij nader besluit toekenning naar klasse 15-25%. Schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1231 WAO en 07/1894 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 januari 2005, 2003/1695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 maart 2007 heeft het Uwv een nader besluit van dezelfde datum ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als brood/banketbakker voor 32 uur per week. Hij is op 25 juli 2002 arbeidsongeschikt geworden met pijnklachten van handen, knie, enkels, rug en voeten.

Bij besluit van 18 juli 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op

24 juli 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij beslissing van 21 oktober 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen en meent dat het Uwv de beperkingen van appellant niet heeft onderschat en dat appellant in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te verrichten. Omdat het Uwv pas in beroep voldoende heeft toegelicht dat de belasting van de geselecteerde functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, onder instandlating van de rechtsgevolgen van dat besluit. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat aan hem het griffierecht moet worden vergoed.

Het hoger beroep richt zich tegen de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat zijn medische klachten door het Uwv zijn onderschat, dat hij ernstiger beperkt is dan is aangenomen en dat de voor hem geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden. Hij wijst op zijn enkel- en voetklachten en geeft aan dat de klachten van zijn onderrug thans het grootste probleem vormen. Ter ondersteuning heeft appellant in hoger beroep nog brieven overgelegd van twee behandelaars, de manueel therapeut X.J. Moonen en de anesthesioloog O.J.J.M. Rohof.

De bezwaarverzekeringsarts K. Corten ziet in deze gegevens geen aanleiding om zwaardere arbeidsbeperkingen voor appellant aan te nemen. Op grond van recente uitspraken van de Raad heeft zij wel aanleiding gezien de functionele mogelijkhedenlijst op twee punten aan te passen, door beperkende toelichtingen om te zetten in een feitelijke beperking.

Volgens het rapport d.d. 21 november 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige

mr. H.J.M. Saris, heeft deze aanpassing tot gevolg dat de geselecteerde functies qua belasting niet langer corresponderen met de belastbaarheid van appellant. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een aantal nieuwe functies geselecteerd die appellant met de nader geformuleerde arbeidsbeperkingen wel moet kunnen verrichten. Gelet op wat appellant met deze functies theoretisch kan verdienen, resteert een verlies aan verdiencapaciteit van 20,36%.

Gelet hierop heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2007 aan appellant per 23 juli 2003 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met dit besluit heeft het Uwv ook de kosten vergoed die appellant heeft gemaakt in verband met het gemaakte bezwaar.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het Uwv medegedeeld dat ook het besluit van 27 maart 2007 niet wordt gehandhaafd en dat het Uwv een nieuw besluit op de bezwaren van appellant zal nemen.

De Raad overweegt als volgt.

Omdat het Uwv met het besluit van 27 maart 2007 niet geheel aan het (hoger) beroep van appellant is tegemoetgekomen, zal de Raad dat besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb in de onderhavige procedure betrekken. Daarbij geldt dat appellant, in verband met de namens hem ingediende vordering tot vergoeding van wettelijke rente, op zich ook belang heeft gehouden bij zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Omdat het Uwv te kennen heeft gegeven het besluit van 27 maart 2007 niet te willen handhaven, ligt het naar het oordeel van de Raad het meest in de rede dat besluit te vernietigen.

Namens appellant is op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellant. Nu het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vast staat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, die door de Raad worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 21 oktober 2003 in stand zijn gelaten;

Verklaart het inleidende beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 maart 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,-- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) C.D.A. Bos.

JL